Kennis & Cognitie·Wetenschap

Twee zorgen over de Wetenschapsvisie 2025

In de Tweede Kamer wordt morgen een Algemeen Overleg gehouden over de Wetenschapsvisie 2025. In de Wetenschapsvisie staan goede ideeën, maar er zijn ook punten van zorg. Vooral de zogenaamde ‘kanteling’ van NWO heeft veel onrust teweeg gebracht, maar daar wil ik het in deze bijdrage niet over hebben. In de plaats daarvan wil ik twee punten bespreken die in het debat tot dusver onderbelicht zijn gebleven: duurzaamheid van het beleid, en de Nationale Wetenschapsagenda.

Het Nederlandse wetenschapsbeleid is niet duurzaam – en dat heeft met geld en werkdruk te maken. De wetenschapsvisie erkent dat de Nederlandse wetenschap topprestaties levert voor relatief weinig geld. In andere landen wordt steeds meer geïnvesteerd in wetenschap terwijl in Nederland het overheidsbudget daalt. De regering heeft forse ambities, dus de logische conclusie zou zijn: boter bij de vis! Maar in plaats daarvan blijkt, zoals ook bevestigd wordt door een net gepubliceerde studie van het Rathenau Instituut, dat de komende jaren de investeringen in de wetenschap nog verder zullen afnemen.

In plaats van zelf te investeren, kijkt de regering naar maatschappelijke partijen, waaronder bedrijven, waar ze hoopt het geld voor de noodzakelijke investeringen te vinden. Of dat zal lukken, valt te betwijfelen. En als het al lukt, is het maar de vraag of de lange-termijn fundamentele wetenschap, waarvan we niet altijd weten wat die precies, wanneer, waar en voor wie gaat opleveren, op deze manier gefinancierd kan worden.

Een wetenschapsbeleid dat niet investeert in de fundamenten, is niet duurzaam. De verschuiving van geld van lange termijn fundamenteel onderzoek naar korte termijn toegepast onderzoek is niet verstandig. Op korte termijn hebben we nog het fundamenteel onderzoek van de voorbije decennia dat we kunnen toepassen. Maar als we niet voldoende investeren in de fundamenten, namelijk wetenschappers die aan de top van hun vakgebied meedraaien, dan hebben we over tien jaar geen bomen meer waar we de vruchten van kunnen plukken.

Naast het budgettaire probleem is de werkdruk aan universiteiten een groot en toenemend probleem. Die toegenomen werkdruk zal op termijn de wetenschap schaden, en mogelijk ook andere kerntaken van universiteiten, zoals het onderwijs. In heel wat vakgebieden doen wetenschappers hun onderzoek vooral in de avonduren of weekenden. Door de toegenomen studentenaantallen, grotere druk om onderzoeksaanvragen te schrijven en de groeiende regelgeving met betrekking tot evaluaties en controles, blijft er binnen de reguliere werkweek steeds minder tijd over voor onderzoek. De Nederlandse overheid heeft daar geen zicht op, want toen ik dit enkele maanden geleden bij de overheid navroeg, kreeg ik van het ministerie van OCW het antwoord dat de overheid helemaal geen gegevens verzamelt over werkdruk in de wetenschap.

We hebben dus geen studies over de werkdruk in de wetenschap, maar laat mij de indruk geven van op de werkvloer: de werkdruk is algemeen gezien hoog, voor veel wetenschappers te hoog, en het lijkt er op dat die werkdruk nog steeds toeneemt. Omdat werkdruk in vele beroepen hoog is, bestaat er onder wetenschappers een sociale druk om daar naar de buitenwereld toe niet over te praten (intern heeft wel iedereen het er over). Maar wetenschappers zijn ook mensen met fysieke grenzen (en, laten we hopen, een sociaal leven). En wie roofbouw pleegt op zijn belangrijkste productiefactor, is geen duurzame ondernemer. Toegepast: in de wetenschap is de wetenschapper de belangrijkste productiefactor, en als de overheid door haar beleid de wetenschappers systematisch onder te hoge werkdruk zet, dan kan dit niet lang goed gaan. De Nederlandse wetenschap presteert zeer sterk, maar we moeten ons de vraag stellen of dat duurzaam is. Mij lijkt van niet.

Een tweede punt van zorg is de nationale wetenschapsagenda. De regering wil dat de wetenschap zich meer gaat richten op een aantal belangrijke problemen waar de samenleving mee geconfronteerd wordt. Uiteraard is het oplossen van maatschappelijke problemen altijd een goed idee, en de wetenschap draagt hier nu sterk aan bij. Maar de regering wil dat wetenschappers meer oplossingsgericht onderzoek doen. In overleg met allerlei maatschappelijke partijen zal bepaald worden welke problemen prioriteit krijgen. Die worden dan in een Nationale Wetenschapsagenda opgenomen worden.

Er zijn minstens twee problemen met dit plan. Het eerste probleem is geld. Waar moet het geld voor dit extra onderzoek vandaan komen, gegeven dat de overheid in de toekomst minder zal investeren in de wetenschap? De wetenschapsvisie is daar niet erg gedetailleerd over, en onder wetenschappers wordt er gespeculeerd waar het geld precies vandaan zal komen.

Het lijkt er op dat een deel van de bestaande budgetten, die nu vrij besteed kunnen worden aan de ontwikkeling van een vakgebied of fundamenteel onderzoek, of de budgetten die momenteel via NWO in de vrije competitie verdeeld worden, in de toekomst besteed zullen moeten worden aan onderzoek van de Nationale Wetenschapsagenda. Dit is problematisch, want daardoor wordt de financiering voor ongebonden onderzoek nog beperkter, en er is nu al onvoldoende geld het onderzoek te doen dat nodig is om een vakgebied te blijven ontwikkelen. Bovendien botst het met de ambitie van de Wetenschapsvisie om een broedplaats te zijn voor nieuw talent.

Het zou ook kunnen dat de overheid van plan is het benodigde geld te onttrekken aan het voor de topsectoren gereserveerde NWO budget. Als dat klopt, is dat een welkome correctie op de eenzijdige economische focus van het huidige topsectorenbeleid. Maar het topsectorenbeleid vergt cofinanciering van onderzoek door het bedrijfsleven. Hoe vertaalt zich dat naar onderzoek over migratie en vluchtelingenproblematiek of de vraag wat zowel effectieve als moreel verdedigbare strategieën zijn voor ecologische duurzaamheid? Wie gaat dergelijk onderzoek co-financieren? Zou het bedrijfsleven hiertoe bereid zijn? Of verwachten we dat onderzoek mede gefinancierd kan worden door de meest kwetsbare groepen in de samenleving, of door toekomstige generaties? Of komt het onderzoek waarvan we verwachten dat er geen cofinanciering te verkrijgen is überhaupt niet op de wetenschapsagenda? Waar deze co-financiering ook vandaan komt, in elk van deze scenario’s vergt de vereiste van cofinanciering dat wetenschappers veel tijd besteden aan het vinden van die cofinanciers, wat het probleem van de hoge werkdruk alleen maar verergert.

Ten tweede is de procedure waarmee de Wetenschapsagenda tot stand gaat komen vooralsnog ondoorzichtig. Het goede nieuws is dat Beatrice de Graaf en Alexander Rinnooy Kan als trekkers zijn benoemd – twee hoogleraren die groot aanzien hebben in zowel wetenschap als samenleving. Maar de Kenniscoalitie, die moet zorgen dat er tegen eind dit jaar een agenda ligt, bestaat enkel uit wetenschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Hoe wordt gewaarborgd dat alle belanghebbende groepen in gelijke mate invloed kunnen uitoefenen op de agenda? Als er niet over deze procedures gewaakt wordt, kunnen we verwachten dat de organisaties met de sterkste lobby-capaciteit het beste in staat zullen zijn hun stempel op de agenda te drukken. Maar er is helemaal geen reden om te denken dat die organisaties de vragen formuleren die het meest urgent zijn. De grootste uitdagingen liggen misschien wel in sectoren waar zich zoveel problemen voordoen dat er helemaal geen belangenbehartigers of lobbyisten voor zijn, omdat de mensen over wie het gaat te grote problemen hebben, niet assertief zijn, aan de andere kant van de wereld wonen, of helemaal nog niet bestaan (lees: toekomstige generaties). Waarom wordt er niet een nieuwe coalitie gevormd die ook organisaties uit het maatschappelijke middenveld omvatten, zoals de Cultuurraad, de Gezondheidsraad, Amnesty International, Urgenda, de kinderombudsman, of GGZ Nederland? Alvorens het over de inhoud van de Wetenschapsagenda zelf te hebben, lijkt het verstandig eerst deze procedurele vragen te beantwoorden.

Het moge helder zijn dat er vanuit het werkveld nog vele vragen leven over de Wetenschapsvisie. Hopelijk worden er een aantal daarvan beantwoord in het Algemeen Overleg dat morgen plaats vindt.

3 gedachten over “Twee zorgen over de Wetenschapsvisie 2025

  1. Voor de goed orde: wie de cijfers van het Rathenau Instituut goed leest, zal zien dat de investeringen in wetenschap op peil blijven -en zelfs licht stijgen-, maar dat de overheid juist aan het bezuinigingen is op het toegepaste onderzoek en uitgaven voor innovatie.
    De cijfers ondersteunen dus niet de argumenten van diegenen die de overheid verwijten alleen oog te hebben voor korte termijn onderzoek.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s