Filosofie·Gastbijdrage

Waarheen met de Nationale Wetenschapsagenda?

Gastbijdrage door Carlo Ierna

Deze week worden drie conferenties gehouden om de wetenschapsagenda verder uit te werken. Dinsdag was de beurt aan “Science for Science”. Het is nog volstrekt onduidelijk hoe de agenda gebruikt zal gaan worden door de politiek en het NWO, maar wat als men een project wil indienen en het blijkt niet op de agenda te staan? Dus toog ik vol goede moed naar Den Haag om daar met enigszins verlicht eigenbelang mijn steentje bij te dragen aan de verfijning en verrijking van de agenda. Als een van de jongsten en een van de weinigen met een tijdelijke aanstelling meende ik dat er voor mij waarschijnlijk meer op het spel stond dan voor de meer geëtableerde deelnemers.

In de ochtendsessies kregen disciplinair gevormde commissies de opdracht nog eens goed te kijken naar de geclusterde vragen. Van bijna 12.000 door heel Nederland ingediende vragen waren deze al teruggebracht tot ongeveer 250 clusters door 5 jury’s, waaronder de jury geesteswetenschappen. In twee werkgroepen werden de 40 koepelvragen die door deze jury waren gevormd besproken. In de werkgroep waarvan ik deel uitmaakte werd o.a. opgemerkt dat het wereldbeeld dat achter de vragen schuilging nogal “materialistisch” van aard was, zowel in metafysisch als in sociaal-economisch opzicht. Vele verborgen aannames achter de vragenclusters zouden eigenlijk ook in vraag gesteld moeten worden. Neem bijvoorbeeld cluster G15 “Hoe kunnen we onze verhouding tot ecosystemen en dieren herzien?”: als men deze vraag zo op zichzelf zou bekijken, dan zou men geneigd zijn te denken dat het al duidelijk is a) wat onze verhouding is en is geweest, en b) dat daar iets mis mee is, zodat we nu, c) concrete stappen moeten formuleren om deze te herzien. Inderdaad noemde ook dagvoorzitter Peter Paul Verbeek aan het einde van de conferentie het voorstel van Daan Andriessen om elke vraag op te splitsen in een verklarend, evaluerend, en ontwerpend deel. Beschrijven, voorschrijven, uitvoeren: theoretisch, axiologisch, praktisch.

In dat opzicht zou het handig zijn geweest om in een eerder stadium al te reflecteren op vragen uit de clusters G4 of S27 “Hoe werkt wetenschap en kan beleid hierop inspelen?”. Het hele project van het formuleren van een wetenschapsagenda had mijns inziens wel baat kunnen hebben bij het bestaande onderzoek in de wetenschapsfilosofie en -sociologie ten aanzien van de vragen “Wat is wetenschap?”, “Wat is goede wetenschap?”, en “Hoe kunnen we goede wetenschap waarborgen en bevorderen?”. Daardoor hadden de verwachtingen van publiek en politiek jegens wetenschap verhelderd kunnen worden en het project een sterker voorlichtend karakter kunnen krijgen. In praktische zin zou dit mogelijk ook vele misplaatste vragen hebben kunnen vermijden. Dito voor de wetenschapsgeschiedenis: “Hoe werkt vooruitgang in de wetenschap?” en “Welke factoren hebben voor grote doorbraken gezorgd?”. Sturing door de overheid heeft over het algemeen alleen in uitzonderlijke gevallen wetenschappelijke vooruitgang bewerkstelligd, en dan ook enkel doordat plotseling enorm veel fondsen naar een heel specifiek doel gingen (zoals een oorlog winnen of een raket naar de maan sturen). Perverse prikkels en de waardering voor een beperkte soort meetbare output in het beleid hebben de wetenschap welhaast eerder gehinderd.

In de werkgroep geesteswetenschappen werd ook opgemerkt dat de menselijke geest ver te zoeken was. Thema’s zoals subjectiviteit, het lichaam-geest probleem, bewustzijn, qualia, de ervaring zelf, etc. die zeker niet alleen binnen de filosofie spelen, waren totaal afwezig. Het ging vooral om de “producten en uitingen” van de geest, zoals het Nationale Plan voor de Toekomst van de Geesteswetenschappen destijds stelde. Mijn stelling “de geest moet terug in de wetenschappen” ontving brede instemming. Nu was de geest echter, althans in de vorm van “hersenen en cognitie”, toebedeeld aan de levenswetenschappen. Omdat in de namiddagsessies vooral de bedoeling was om interdisciplinaire verbanden te trekken tussen de clusters, en ik was ingedeeld bij twee geesteswetenschappelijke workshops, ben ik toch maar stiekem even bij de buren van levenswetenschappen een kijkje gaan nemen. Bij alle interesse voor de werking van de hersenen, hun gezonde ontwikkeling, en het voorkomen en genezen van hun ziekten, was het denken geen hoofdzaak voor velen van de aanwezigen. Slechts een enkele vraag (L12) noemde “cognitie, emotie, en motivatie”, en dat hebben we maar ternauwernood kunnen behouden in de werkgroep waar ik (als enige geesteswetenschapper) was ingeslopen.

Zowel bij deze sessie als bij de tweede (toen ik braaf meedeed aan de workshop waarbij ik was ingedeeld) viel het me wel positief op hoeveel dwarsverbanden en zelfs overlap er was tussen de verschillende disciplines. Essentieel interdisciplinaire vakgebieden zoals de cognitiewetenschappen kwamen er erg slecht vanaf bij de disciplinaire jury’s, maar er bleken meer dan voldoende kansen en mogelijkheden voor samenwerking tussen de disciplines, zoals op het gebied van taaltechnologie en big data, ecosystemen en biodiversiteit, de werking van de cel, etc. In veel gevallen spraken de andere disciplines direct geesteswetenschappelijke thema’s aan, bijvoorbeeld S53 “Welke factoren bepalen moreel gedrag?”. Nog vaker bevonden zich de verbanden meer op het vlak van de onuitgesproken vooronderstellingen. Bijvoorbeeld vraag L44 “Wat is het belang van biodiversiteit en hoe behouden we het?” impliceert dat biodiversiteit een waarde heeft die we zouden moeten nastreven, en vrijwel elke vraag over ziekte en ouderdom veronderstelt G33 “Wat is kwaliteit van leven?”.

Hoe interessant en stimulerend de sessies ook waren, de stelling van staatssecretaris Sander Dekker bleek wel een domper op de conferentie: ondanks het brede draagvlak onder de bevolking ligt er niet zomaar een zak geld klaar om het onderzoek naar aanleiding van al deze nieuwe vragen en projecten te bekostigen. Nederlandse wetenschappers zijn al zeer efficiënt en doen het uitermate goed in wereldwijd perspectief, maar er zijn grenzen aan “meer met minder”. Veel, te veel, uitstekende projecten op alle niveaus (VENI, VIDI, VICI) worden afgewezen wegens geldgebrek. Veelbelovend jong talent krijgt zo niet de kans om door te breken. Daarnaast is het bij degenen met vaste banen ook niet allemaal rozengeur en maneschijn, zoals de ReThink en “De Nieuwe Universiteit” bewegingen duidelijk hebben gemaakt. De deelnemers aan de conferentie Science for Science waren zich terdege bewust van de noodzaak recht te doen aan de vragen die hier en nu in de maatschappij leven. De laatste zet is echter aan de politiek. Het zou jammer zijn als het beantwoorden van cluster G36 “Wat zijn de mogelijkheden en grenzen van wat we kunnen weten?” vooral een budgettaire kwestie zal blijken.

2 gedachten over “Waarheen met de Nationale Wetenschapsagenda?

  1. Dank hiervoor, Carlo. Ik zat in de andere geesteswetenschappelijke werkgroep op deze conferentie. Bij ons kwam vooral het punt naar voren dat vernieuwing in de geesteswetenschappen het vaak van methodologische vernieuwing moet hebben, en dat het niet helder is (misschien wel niet echt mogelijk is) om methodologische vragen onder deze meer substantiële vragen te hangen. Als we het over “science for Science” hebben is dat wel een redelijk cruciaal punt.

    Het punt dat in jouw groep naar voren kwam, dat ‘de geest’ uit de geesteswetenschappen afwezig was, werd voor zover ik weet bij ons niet genoemd. Het roept natuurlijk ook de vraag op, of er veel vragen rond deze set kwesties zijn ingediend; indien ze er zijn, ‘hangen’ die mogelijk ergens onder één van de 40 koepelvragen. Net zoals het inderdaad heel belangrijk is wat nu precies de financiële consequenties zullen zijn van de NWA, lijkt het me ook heel belangrijk om in het proces dat nu verder nog zal volgen, de onderliggende vragen niet te verliezen, want door “in te dikken” (de terminologie die de dagvoorzitter hanteerde) verlies je toch altijd onvermijdelijk wat aan de rijkdom van de vragen.

    Like

  2. Bedankt voor je reactie, Ingrid! Het is inderdaad belangrijk om de oorspronkelijke vragen niet uit het oog te verliezen, maar op de conferentie konden we niet het werk van de jury’s overdoen. Als ik naar de top kernwoorden van de wetenschapsagenda kijk, dan zijn “hersenen” en “cognitie” beiden duidelijk aanwezig. Onder beide zie ik een heleboel vragen over denken, bewustzijn, informatieverwerking, etc. zoals “Hoe kunnen niet-fysicalistische modellen voor bewustzijn empirisch getoetst worden?” of “Wat maakt ons tot mens? Welke rol spelen hersenprocessen in wie we zijn, hoe we denken en hoe we ons gedragen?” Door deze vragen uitsluitend onder levenswetenschappen te behandelen wordt er geen recht aan gedaan en verlizen de geesteswetenschappen een belangrijke component. Het is prima om vrangen te clusteren om praktische redenen, maar dat moet niet uitsluitend disciplinair gedaan worden. Interdisciplinarieteit is dan ook meer dan “verbanden” tussen disciplines. Er zijn vragen die deze indelingen zelf in vraag stellen en daarmee gewoon overstijgen: “Waarom proberen wij de werking van onze hersenen en ons bewustzijn te reduceren tot puur natuurkundige processen terwijl we alles wat we kunnen ‘weten’ op het gebied van de natuurkunde juist via onze bewuste ervaring hebben geconstrueerd?” Vrijwel alle vragen onder het kernwoord “bewustzijn” hebben te maken met het lichaam/geest probleem en wat ons tot mens maakt. Het zou absurd zijn om de geesteswetenschappen daarbij uit te sluiten. Tegelijk vormt dit een uitdaging op het methodologische vlak: hoe kunnen wetenschappen met zeer uiteenlopende methodes bijdragen aan dit thema?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s