Literatuur, Film & Kunst·Wetenschap

‘Het belang van literatuur is wetenschappelijk bewezen.’ Oja?

Waarom is literatuur belangrijk? Waarom moeten romans gelezen en geschreven worden? Eén reden is simpelweg dat lezen leuk en ontspannend is. Bovendien is lezen goed voor je taalontwikkeling. Maar is dat alles? De achterkant van het pak hagelslag lezen is ook goed voor je taalontwikkeling. En Max Havelaar is een ‘afgrijselijke monumentale baksteen’. In elk geval volgens Christiaan Weijts. Bovendien, Game of Thrones is volgens velen toch net wat ontspannender. Er lijkt, kortom, behoefte aan aanvullende antwoorden op de vraag waarom literatuur belangrijk is.

Helaas zijn er, kijkend naar het publieke debat, meer en minder gelukkige manieren om deze vraag te beantwoorden. Je komt grofweg twee soorten argumenten tegen. Het eerste argument is metafysisch: we zijn zelf narratieve wezens. Ons identiteit is essentieel ‘verhalend’ van aard. Literatuur, zou je daarom denken, is (letterlijk) van levensbelang. Maar deze strategie, zo heb ik in een eerdere blogpost verdedigd, riekt naar chauvinisme. Niet iedereen ziet of ervaart zich als een romanpersonage, of zou dat moeten doen.

Een tweede optie is om beroep te doen op de wetenschap, te weten de sociale psychologie. Het is ‘wetenschappelijk bewezen’: literatuur is goed voor ons, want we worden er socialer en empathischer van. Maar deze strategie, wil ik hier betogen, zoekt het belang van literatuur op de verkeerde plek. De vraag waarom literatuur belangrijk is kun je niet met een paar experimenten beantwoorden, en dat moeten we ook niet willen.

Een betere strategie is om literatuur te benaderen in zoverre zij onderdeel uitmaakt van de kunst meer algemeen. Dat betekent ook dat we het idee moeten loslaten dat literatuur specifiek (de roman, en dus niet de film) belangrijk is. Om vervolgens tot de hamvraag te komen: waarom is kunst dan belangrijk?

Dit is uiteraard niet een vraag die in één blogpost te beantwoorden valt. Ik zal daarom in een paar aparte delen een poging doen, beginnende met dit eerste (kritische) deel, waarin ik wil laten zien hoe je de vraag beter niet kunt benaderen. In deel 2 ga ik in op de vraag of het überhaupt zinnig is om het belang van literatuur te funderen in het idee dat romans lezen onze sociale vaardigheden vergroot, en waarom we daar bij uitstek literatuur, en niet andere verhaalvormen zoals films of series, voor nodig hebben. In het derde en laatste deel zal ik tenslotte in gaan op de hamvraag, namelijk, waarom kunst belangrijk is, waar ik wil suggereren dat kunst is noodzakelijk voor ons praktisch zelfbegrip en onze capaciteit voor (politieke) verbeelding.

Het ‘nut’ van literatuur

‘Het gaat slecht met de literatuur in Nederland,’ aldus schrijver en allround intellectueel Philip Huff in de Verweylezing van 2014. Het tempo van ‘ontlezing’ is, zegt hij, zorgwekkend. Dat is “slecht nieuws voor iedereen, niet alleen voor schrijvers, uitgevers, boekverkopers lezers. Maar ook voor u”.

Waarom? Huff legt uit:

De mogelijkheid tot inleving die ‘dieplezen’ schept, komt voort uit de manier waarop ons brein omgaat met een roman: het creëren van een mentale representatie van het verhaal vindt plaats in dezelfde hersengebieden die actief zouden zijn als de scène zich ‘in het echte leven’ ontvouwde. Lezen, vergroot, kortom ons inlevingsvermogen.

Je kunt je ten eerste afvragen waarom een schrijver beroep zou moeten doen op ideeën over ‘hersengebieden die actief zouden zijn als…’. (Men lijkt soms te vergeten dat hersengebieden óók actief zijn wanneer je koffie drinkt of op de wc zit.) Maar laten we deze neuro-associaties even voor wat ze zijn. Huff’s onderliggende, meer belangrijke punt lijkt de volgende te zijn: door het lezen van romans trainen we onze capaciteit om ons in anderen te verplaatsen. “Het effect van het lezen van literatuur, of zo men wil: het nut, om daar maar meteen vanaf te zijn, is wetenschappelijk bewezen,” aldus Huff.

Hm.

Om die conclusie te kopen moeten we eerst eens goed kijken naar het ‘wetenschappelijk bewijs’ in kwestie. Huff verwijst onder andere naar een onderzoek van Maja Djikic en collega’s die in het tijdschrift Creativity Research het artikel publiceerden: ‘On Being Moved by Art: How Reading Fiction Transforms the Self’. Het is behulpzaam om kort te kijken naar de opzet en methode van dit onderzoek. Want wat hier mis gaat lijkt symptomatisch te zijn voor onderzoek naar het belang van kunst. (Het is volgens mij ook symptomatisch voor psychologisch onderzoek meer in het algemeen, maar dat is voor een andere keer.)

 Een half uurtje Tsjechov lezen

De hypothese van het onderzoek van Djikic et. al is dat het lezen van literatuur ‘under laboratory conditions’ voor ‘significante veranderingen kan zorgen voor hoe iemand zichzelf ziet of ervaart’. Dat is natuurlijk al een beetje gek—veranderingen in hoe je jezelf ziet, in plaats van veranderingen in je daadwerkelijke sociale vaardigheden of hoe je je gedraagt. Maar soit. Hoe gingen de onderzoekers te werk?

De deelnemers moesten allereerst een verzameling enquêtes invullen waar ze antwoord moesten geven op vragen over hun karaktereigenschappen en hun emoties. De ene groep las vervolgens een kort verhaal van Tsjechov—The Lady With the Toy Dog—terwijl de andere groep een ‘documentatieve’ ofwel ‘a-literaire’ variant van datzelfde verhaal las, waar alle stijlvormen werden uitgesloopt. Vervolgens namen de deelnemers opnieuw de enquêtes af. De resultaten lieten vervolgens zien dat de ene groep (die de ‘echte’ Tsjechov las) aangaf een significant grotere verandering in hun karaktereigenschappen te rapporteren dan de controle groep (die de documentatieve Tsjechov te lezen kreeg). Tsjechov’s verhaal, dat zich afspeelt in een Rusland van een flinke tijd geleden, ‘changed (even if temporarily) how [the participants], more than a century later, experienced their own personality traits’.

De onderzoekers concluderen:

This research confirmed the hypothesis that art can cause significant changes in self-reported experience of traits under laboratory conditions.(…) Further consideration should be given to the role of art in the facilitation of processes of personality growth and maturation.

Wat hebben we nu geleerd over het belang van literatuur? Vrij weinig, ben ik bang. Waar het mis gaat zit hem onder andere in de aannames van dit (en vergelijkbaar) onderzoek. Een van de aannames is bijvoorbeeld dat dergelijk onderzoek ons iets zou kunnen vertellen over literatuur buiten ‘laboratory conditions’. Hoe geloofwaardig is dat? Er wordt een zeer homogene groep eerste-jaars psychologie-studenten gevraagd om een lading enquêtes in te vullen, die vervolgens worden vergeleken met de enquêtes na het lezen van Tsjechov of de genoemde ‘documentatieve’ variant daarvan. Wat eruit rolt is iets dat waar zou moeten zijn van mensen in het algemeen.

Moh.

Een andere aanname is dat het lezen van literatuur binnen slechts een half uur een effect zou moeten hebben op hoe we ‘ons zelf’ of ons ‘karakter’ zien of ervaren. Zo lang duurt het namelijk om het verhaal van Tsjechov te lezen. Maar als het effect van een half uurtje Tsjechov lezen het belang van de literatuur zou moeten laten zien, dan zou ik zeggen: dan is het wel heel triest gesteld met de literatuur. (En de psychologie. Maar dat was dus voor een andere keer.) In alle eerlijkheid geven de onderzoekers zelf ook de beperkingen van hun onderzoek toe: “It is not our argument that art necessarily causes permanent or strong personality changes in those who encounter it. A relationship of an individual psyche to a work of art is a highly complex process that cannot be easily brought into laboratory.”) Hoe de opzet van het onderzoek gegeven deze ondermijnende kwalificatie overeind kan blijven, is mij een raadsel.

Een derde aanname is dat het kennelijk informatief zou zijn om te achterhalen wat mensen zelf denken over hun karakter. Sterker nog:dat wat mensen zelf zeggen over hun karakters ons laat zien wat voor karakter of sociale gewoontes ze daadwerkelijk hebben. Hier kunnen we de nodige vraagtekens bij stellen (wat veel psychologen gelukkig ook doen.) Onze zelfrapportages zijn namelijk bij nader inzien helemaal niet zo betrouwbaar. Na een half uurtje Tsjechov zeg ik misschien wel dat ik heel empathisch ben (geworden). Maar wie zegt dat dat waar is? Wat we zeggen over onszelf, en wie we echt zijn, lopen nogal eens uit elkaar. We moeten dus vraagtekens stellen bij psychologisch onderzoek dat zo zwaar leunt op onze vermogens tot zelfkennis. Als we willen onderzoeken wat het effect is van het lezen van literatuur op ‘ons zelf’, zou het dus een goed idee zijn om ook te kijken naar hoe mensen zich daadwerkelijk gedragen.

Dit alles wil nog niet zeggen dat we het belang van literatuur überhaupt niet empirisch kunnen aantonen. Maar als we het belang van literatuur wél empirisch willen onderzoeken, moeten we het in elk geval heel anders aan gaan pakken, bijvoorbeeld onderzoek naar personen die zijn voorgelezen als kind, en personen die dat niet zijn. Maar ja, vind die maar eens. En sluit alle andere mogelijke factoren maar eens uit. En krijg maar eens subsidie voor dat soort genuanceerd, complex en langdurig onderzoek.

We kunnen natuurlijk ook gewoon eens gek doen, en simpelweg aannemen dat het lezen van literatuur ons empathischer en in sociaal opzicht intelligenter maakt; dat het lezen van Flaubert of Virginia Woolf goed is voor ‘ons zelf’ omdat we ons beter in anderen, en daarmee ook vroegere en toekomstige zelf, kunnen verplaatsen. We hoeven heus niet overal testjes en experimentjes voor te hebben om een goede reden hebben om iets te geloven. Is het niet evident dat we door het lezen van romans ons beter leren verplaatsen in anderen? In dat geval hoeven we helemaal geen beroep te doen op psychologische studies.

De vraag is echter wat Philip Huff en co. hieraan zou hebben. Waarom zou deze rol alleen aan romans toebedeeld zijn, laat staan aan goede romans, aan hogere literatuur in plaats van een pak hagelslag of de ikjes in de NRC? Waarom zouden andere verhaalvormen, zoals strips, films of series, niet precies hetzelfde bewerkstelligen?

 

Die vragen pak ik volgende keer op. To be continued.

 

PS: Om nog even kort terug te komen op Christiaan Weijts die in zijn column lekker provocerend stelt: ‘die leeslijst is misdadig. Fuck de canon’); wil ik hier kort Herman Pleij citeren, die tijdens De Wereld Draait Door een bijna ontroerend pleidooi afstak in zijn verdediging van Max Havelaar:

Als je naar school gaat, heb je er recht op te weten wat het woord kan; wat het woord kan aanrichten. Daarvoor ga je naar school—niet omdat je lezen leuk moet vinden—dat moet je zelf maar weten. Maar je hebt er recht op om in het onderwijs opgetild te worden. Niet door docenten die door de knieën gaan, maar die jou nieuwe horizonnen laten zien, en laten zien wat kunst—wat literatuur—vermag, en aanricht. (link)

Niet dat er trouwens geen kritische vragen gesteld moeten worden over de literaire canon. Waar zijn de vrouwelijke schrijvers, bijvoorbeeld? En schrijven niet-blanke personen misschien ook goede boeken? Lees ook dit stuk van de Lezeres Des Vaderlands. Of, eigenlijk, lees sowieso de Lezeres Des Vaderlands.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s