Filosofie

Hulp bij zelfdoding: misdaad of daad uit naastenliefde?

Onderstaand stuk is een  ingekorte versie van een artikel geschreven door studente Mariska van Zandijk, dat zij schreef als opdracht voor de minor rechtsfilosofie die zij volgde, onderdeel van de opleiding HBO-rechten (Hogeschool Leiden).

Nu een meerderheid van de Tweede Kamer vóór het plan van Minister Schippers blijkt, is het waarschijnlijk dat nu dan toch de mogelijkheden voor stervenshulp uitgebreid worden. Maar niet zonder weerstand; SP en CDA hebben principiële bezwaren tegen hulp bij zelfdoding, en de Christenunie noemde de plannen zelfs ‘huiveringwekkend’. Hebben ze een punt? Wat voor soort overwegingen spelen eigenlijk een rol in de kwestie van stervenshulp? Mariska van Zandijk zet de argumenten op een rij aan de hand van de roemruchte zaak Heringa. 

In juni 2008 helpt Albert Heringa zijn 99-jarige moeder Marie Heringa-van der Borgh, ook wel ‘Moek’, op haar verzoek met sterven. Moek was niet ziek maar vond haar leven voltooid en wilde niet meer verder leven. Ze vroeg haar huisarts haar te helpen. De huisarts begreep haar wens, maar omdat Moek niet ziek was, weigerde de arts haar euthanasieverzoek. Heringa besloot zijn moeder te helpen met sterven toen hij zag dat ze zelf pillen verzamelde die niet geschikt waren voor zelfdoding. Hij spaarde haar medicijnen op om daarmee zelf haar leven te beëindigen. Volgens Heringa was het een daad van naastenliefde en hij achtte het immoreel om Moek aan haar lot over te laten met de ongeschikte middelen die ze ter beschikking had. Hij filmde zijn handelen en in 2010 trad hij met zijn verhaal in de openbaarheid via de documentaire ‘De Laatste Wens van Moek. Een zelf geregisseerde dood’. Hij hoopte hiermee de maatschappelijke discussie omtrent hulp bij zelfdoding los te maken. Twee jaar na de documentaire besluit het Openbaar Ministerie tot vervolging van Heringa over te gaan. Het OM eiste drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en stelt dat Heringa’s handelen niet gerechtvaardigd is: “alleen een arts kan straffeloos hulp verlenen bij zelfdoding en Heringa is geen arts.” Heringa had meer deskundigen en artsen moeten raadplegen en er was geen sprake van een noodsituatie, aldus het OM. Na dit oordeel is de zaak voorgelegd aan het gerechtshof. De situatie omtrent Heringa en Moek heeft veel stof doen opwaaien en opende het debat over hulp bij zelfdoding. Ook rechtsfilosofisch gezien is dit een interessant vraagstuk. Mag de wet in bepaalde gevallen terzijde geschoven worden? En: hoe ver reikt de macht van de overheid bij vrijwillige beëindiging van het leven?

Hulp bij zelfdoding volgens de wet

In artikel 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding staat:
“Het opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn of hem de middelen daartoe verschaffen.” Hulp bij zelfdoding valt voor de wet onder euthanasie, echter bij het eerstgenoemde geval neemt de patiënt zelf de dodelijke medicijnen in.

In artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht is hulp bij zelfdoding als volgt opgenomen:

1) Hij die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.
2) Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Dit betekent dat hulp bij zelfdoding in Nederland strafbaar is. Sinds 2002 is echter een strafuitsluitingsgrond opgenomen in artikel 293 van het Wetboek van Strafrecht naar aanleiding van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (‘de euthanasiewet’). In het eerste lid van dit artikel blijft de algemene norm gehandhaafd. Lid 2 van dit artikel beschrijft de strafuitsluitingsgrond van hulp bij zelfdoding als volgt:

“Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.”

Hulp bij zelfdoding is dus alleen legaal als deze door een arts is verricht, de arts heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen uit de euthanasiewet en de gemeentelijke lijkschouwer op de hoogte brengt. De zes zorgvuldigheidseisen zijn de volgende: de arts is ervan overtuigd dat het verzoek van de patiënt om euthanasie vrijwillig en weloverwogen was; er is sprake van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt; de arts heeft de patiënt geïnformeerd over zijn situatie en zijn vooruitzichten; de arts en de patiënt zijn tot de conclusie gekomen dat er geen redelijke andere oplossing was; de arts heeft ten minste 1 andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien. Deze arts heeft schriftelijk zijn oordeel gegeven over de situatie, op basis van de zorgvuldigheidseisen; de arts heeft de hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd. Naast deze zes zorgvuldigheidseisen moet de arts zijn handelen melden aan de gemeentelijke lijkschouwer. Een arts is overigens niet verplicht mee te werken aan de hulp bij zelfdoding, bijvoorbeeld als hij weet dat hij niet aan de zorgvuldigheidseisen kan voldoen.

De euthanasiewet dient ertoe te regelen dat de arts die op zorgvuldige wijze hulp bij zelfdoding verleent voortaan straffeloos zal zijn. De stelling dat hulp bij zelfdoding niet langer strafbaar is, is dan ook niet juist, er is enkel een strafuitsluitingsgrond opgenomen. Ook al beoogt deze wet de rechtszekerheid van artsen en patiënten; ze biedt geen zekerheid dat er nooit zal worden vervolgd.

De zaak Heringa rechtsfilosofisch bekeken

De hulp bij zelfdoding van Heringa kwam in de openbaarheid met de vertoning van de documentaire. De advocaat van Heringa lichtte het OM van tevoren in dat er een strafbaar feit op televisie getoond zou worden, waarna het OM eind 2012 overgaat tot vervolging van Heringa wegens de hulp bij zelfdoding. De rechtbank te Gelderland deed in oktober 2013 uitspraak over de zaak en het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in mei 2015. Rechtsfilosofisch gezien zijn de belangrijkste personen van deze rechtszaak: Moek, Heringa, de officier van justitie en de rechters.

Het natuurrechtelijke perspectief van Moek en Heringa
Moek heeft het heft in eigen handen genomen en zelfdoding gepleegd met hulp van Heringa vanuit de overtuiging dat men zelf mag beschikken over leven en dood, en je dus het recht hebt om een einde te maken aan je eigen leven. Heringa is van mening dat hij, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdende plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten voorgaan. Tegenover de plicht om lid 2 van artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht na te leven stond de ongeschreven morele plicht van hem om zijn moeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood. Heringa is hierop tot een zorgvuldige afweging gekomen om de morele plicht te volgen. Heringa:

“Ik zou me ‘boven’ de wet geplaatst hebben. Maar in uw beroepsijver vergeet u dat er naast de wet die geschreven is met dode letters op wit papier, er ook de universele wetten zijn van barmhartigheid en medemenselijkheid. Als u deze wetten negeert, plaatst het OM zich dan niet buiten de samenleving en de ontwikkelingen die daar plaatsvinden? In mijn opvoeding werd benadrukt dat iedereen zijn eigen morele verantwoordelijkheid behoudt, ook als de autoriteiten je tot immorele daden proberen aan te zetten. De wet zegt dat ik iets strafbaars heb gedaan door mijn moeder te helpen bij het realiseren van haar eigen dringende wens te sterven, maar ik heb in de verste verte niet het gevoel iets te hebben gedaan wat niet mocht. Het recht op leven moet niet een plicht tot leven worden.”

Er is een grote overeenkomst te zien tussen Heringa en Antigone. Antigone voelde een van de goden afkomstige morele plicht om haar overleden broer te begraven, terwijl de Koning een wet had uitgevaardigd die inhield dat haar broer niet begraven mocht worden. Antigone:

“Uw geboden hebben, dacht ik, niet zo’n kracht dat je als mens tegen de ongeschreven en onwankelbare wet van de goden in kunt gaan. En ik ging niet, uit angst voor het oordeel van een mens, door deze wet voor een goddelijke rechtbank staan. Het is mooi te sterven voor die daad. Trouw zal ik bij hem liggen, bij mijn trouwe broer, na een misdaad die mijn plicht was.”

Antigone geeft net als Heringa aan dat er ongeschreven wetten zijn die boven de menselijke wetten staan. Doordat Antigone haar broer tegen de wet in begraven heeft, zette ze net als Heringa de menselijke, aardse wet opzij omdat er een hogere plicht was.

Heringa geeft aan dat hij een morele plicht voelde om zijn moeder te helpen bij haar dood. Dit standpunt van Heringa (en Moek) is goed verdedigbaar vanuit een natuurrechtelijk perspectief. Het natuurrecht is het morele begrip van rechtvaardigheid, een hoger recht dan de heersende geschreven wetten (het positieve recht) en vormt een kritische toets voor het positieve recht. Heringa geeft aan dat er universele wetten zijn van barmhartigheid en medemenselijkheid. Hiermee geeft hij aan dat er een hoger recht is: het natuurrecht. Hij toetste het positieve recht aan dit natuurrecht en kwam tot de conclusie dat het zeer onrechtvaardig was dat als hij de wet zou naleven, hij moest toezien hoe zijn moeder zou lijden aan pijn, wanhoop en machteloosheid. Zijn conclusie is hetzelfde als die van Antigone: de onrechtvaardige wet terzijde schuiven omdat er een hogere, morele plicht is.

Het rechtspositivistische perspectief van de officier van justitie en de rechter van de rechtbank
De officier van justitie wil de wet volgen ondanks de bijzondere omstandigheden. Volgens de officier heeft Heringa niet zorgvuldig gehandeld en is straffeloze hulp bij zelfdoding uitsluitend voorbehouden aan artsen, waardoor Heringa ‘wederrechtelijk’ gehandeld heeft. Het buiten de wettelijke kaders hulp verlenen bij zelfdoding mag niet straffeloos ook al gebeurt het met de beste bedoelingen, stelt de officier.

De rechter van de rechtbank stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat de eigen huisarts definitief en onvoorwaardelijk heeft geweigerd. Bovendien hebben Heringa en Moek geen andere huisarts geraadpleegd. De rechtbank is van oordeel dat van de gestelde noodsituatie geen sprake was. De rechtbank acht verwijtbaar dat Heringa weloverwogen heeft gekozen om de geldende regels naast zich neer te leggen en zijn eigen overtuiging heeft gevolgd. In een democratische samenleving is het volgens de rechter van belang dat wetten, die na een zorgvuldig totstandkomingsproces zijn vastgesteld, worden nageleefd, ook door hen die hun mening niet in alle opzichten in de wet terugvinden. De wettelijke regeling rond euthanasie en hulp bij zelfdoding, zijn er volgens de rechter niet voor niets. Ondanks de aan Heringa te maken verwijten, is naar het oordeel van de rechtbank een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en maatregel voldoende effectief om recht te doen aan het gepleegde feit. Zij overweegt daartoe dat buiten kijf staat dat zijn handelen mede is ingegeven geweest uit naastenliefde en zijn en haar wens om haar bij te staan, te helpen en zich over haar te ontfermen.

De officier herkent zich in belangrijke onderdelen van het vonnis. “De rechtbank is immers, net als de officier, van oordeel dat hier sprake is van een strafbaar feit en een strafbare dader”, staat in een verklaring. De rechtbank komt echter tot een andere conclusie wat betreft de strafoplegging. De officier was dan ook de eerste die hoger beroep instelde. De officier is van mening dat een voorwaardelijke gevangenisstraf beslist nodig is uit het oogpunt van normhandhaving. De strafbaarheid van hulp bij zelfdoding door een niet-arts zou worden uitgehold. Straf moet volgens de officier zonder uitzondering worden opgelegd, al is het maar voorwaardelijk. Dit standpunt van de officier is wederom moreel te rechtvaardigen vanuit het rechtspositivisme. Als er nu een uitzondering wordt gemaakt en geen voorwaardelijke straf wordt opgelegd, dan is er geen rechtszekerheid meer.

Vanuit het rechtspositivisme zijn de standpunten van de officier en de rechter van de rechtbank te rechtvaardigen. Het rechtspositivisme wil het recht uitsluitend identificeren met het positieve rechtsstelsel en gescheiden houden van moraal. Rechtszekerheid staat voorop. Volgens het rechtspositivisme moet de wet dan ook gewoon gevolgd worden, waardoor Heringa strafbaar is. De beste bedoelingen van Heringa moeten buiten beschouwing gelaten worden.

Het gerechtshof

Het hof stelt vast dat Heringa zich als gevolg van het door hem gevoelde conflict van plichten bevond in een actuele concrete nood. Heringa heeft de morele plicht gevoeld om zijn moeder te helpen en heeft die plicht zwaarder laten wegen dan de plicht om de wet niet te overtreden. Heringa: “Pas toen ik geconfronteerd werd met het risico dat mijn moeder zelf de daad bij haar wens zou voegen, heb ik haar een alternatief aangeboden dat zekerder en veiliger was. Dat ik daardoor de wet zou overtreden was voor mij minder zwaarwegend dan het horrorscenario dat de innige wens van mijn moeder zou mislukken en zou uitmonden in veel fysieke en psychische narigheid.” Het hof komt tot de conclusie dat het beroep op noodtoestand gegrond is. Heringa moet dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In feite laat het gerechtshof met het gegrond verklaren van de noodtoestand het natuurrecht prevaleren boven het positieve recht. De morele plicht van Heringa gaat volgens de rechter voor de wettelijke plicht. Hoewel noodtoestand ook gecodificeerd is en dus behoort tot de wet, valt wel te concluderen dat de rechtszekerheid terzijde wordt geschoven in het belang van de rechtvaardigheid.

Maatschappelijk debat

De vrijspraak van Heringa was volop in het nieuws. De vrijspraak speelde ook een belangrijke rol in het streven van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (hierna: NVVE) naar legalisering van hulp bij zelfdoding. De vereniging vindt dat hulp bij zelfdoding door naasten bij mensen met een weloverwogen doodswens niet strafbaar moet zijn. De NVVE ziet de zaak van Heringa dan ook als de aanleiding van een maatschappelijk debat dat gevoerd moet gaan worden, wat moet leiden tot een aanpassing van de wetgeving. Ook de demonstranten die Heringa opwachtten voor de rechtszaal en Heringa zelf, streven naar legalisering van hulp bij zelfdoding. “De kern is dat je zelf moet kunnen beslissen over wat er met je gebeurt. Niemand anders, ook geen arts“, aldus een demonstrant. Heringa: “U laat de kans lopen bij te dragen aan een samenleving van verantwoordelijke, zelfstandige burgers. Want als we niet mogen beschikken over onze eigen waardige dood, wat stelt die zelfstandigheid dan wezenlijk nog voor?” De NVVE, de demonstranten en Heringa stellen hiermee de macht van de overheid ten aanzien van de individuele vrijheid van de burger aan de kaak.

Eén van de meest opmerkelijke passages die het OM aanhaalt, is: “Hulp bij zelfdoding is destijds door de wetgever strafbaar gesteld omdat de bescherming van het leven een belangrijke gemeenschapswaarde is, waaraan een hogere waarde werd toegekend dan aan het individuele zelfbeschikkingsrecht.” Hier ontstaat een interessant knelpunt tussen de visie van Moek, Heringa en de NVVE enerzijds en het OM anderzijds: welke waarde moeten we toekennen aan het zelfbeschikkingsrecht in verhouding tot de bescherming van het leven?

De euthanasiewet met de strafuitsluitingsgrond heeft bepaald dat hulp bij zelfdoding niet altijd strafbaar is. Een waardig levenseinde is voor veel mensen hiermee bereikbaar gemaakt. De praktijk heeft echter duidelijk gemaakt dat ondanks deze wet, niet iedereen geholpen kan worden. Mensen die hun leven voltooid achten en levensmoe zijn, vallen alsnog buiten de boot. Deze groep mensen moet dan ook terugvallen op onmenselijke zelfdodingsmethoden of een naaste moet hen helpen, met het risico achter de tralies te belanden. De zaak Heringa heeft dit risico voor naasten bevestigd.

Om terug te komen op de kernvraag: Is het vasthouden aan de wet een wenselijke situatie? Of moet gekeken worden naar de rechtvaardigheid, en mag een naaste hulp bij zelfdoding bieden bij een familielid wanneer dat de uitdrukkelijke wens is van dat familielid? Tot hoe ver mag de overheid beschikken over onze eigen waardige dood?

Er is natuurlijk veel voor te zeggen dat de overheid vast moet houden aan de wet, en dat er alleen een strafuitsluitingsgrond bestaat voor artsen, aangezien dit zorgt voor rechtszekerheid. Als iedereen maar het recht in eigen handen neemt, kan dit leiden tot een chaos en medisch onverantwoorde situaties.  Maar het naleven van de wet kan óók leiden tot zeer onrechtvaardige situaties. Mensen die klaar zijn met het leven en psychisch lijden moeten maar doorleven, omdat de overheid dit voor ze bepaalt? Een familielid zien lijden en willen helpen uit naastenliefde mag niet, omdat je dan achter de tralies kunt belanden? Artsen willen en kunnen niet altijd meehelpen omdat zij geen medische noodzaak zien, maar waarom moet er een medische noodzaak zijn als levensmoe ook een reden voor mensen is om tot zelfdoding over te gaan? Deze mensen zullen vervolgens op eigen houtje tot zelfdoding overgaan omdat niemand ze wil of kan helpen, met alle gruwelijke gevolgen van dien. Is dat wat de overheid wil? Het is dan ook goed verdedigbaar dat het zelfbeschikkingsrecht van hogere waarde is dan het ‘beschermen’ van leven. De wet belicht dit echter eenzijdig. Er zou meer ruimte moeten zijn voor zelfbeschikking, zolang je maar geen schade toebrengt aan een ander. Burgers moeten zelfstandig genoeg geacht worden om te beslissen over hun eigen leven en dat van hun familielid. Hierbij moet wel in acht genomen worden dat het de uitdrukkelijke wens moet zijn van het familielid, anders zou het een rechtvaardiging kunnen zijn van moord. Bovendien moet de naaste nog wel aan eisen gebonden zijn, zoals de zorgvuldigheidseisen van de arts. Tot slot moet de onrechtvaardigheid van de wettelijke bepaling over hulp bij zelfdoding leiden tot een wetswijziging: legalisering van hulp bij zelfdoding door een naaste. Laat de zaak Heringa een wijze les zijn voor de overheid.

Bronnen
http://www.albertheringa.nl (zoek op: proces)

Art. 2 lid 1 a t/m f Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3444
Kamerstuk II 1998/1999, 26691, nr. 3 (Memorie van Toelichting)
http://www.nu.nl (zoek op: zoon niet bestraft hulp zelfdoding 99-jarige moeder)
http://www.nvve.nl (zoek op: emotioneel begin van rechtszaak Heringa)
Rechtbank Gelderland 22 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:3976
Sofokles (vertaald door G. Koolschijn), Oidipous – Antigone, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep 2013, p. 87 en p. 103

Save

Save

Save

Een gedachte over “Hulp bij zelfdoding: misdaad of daad uit naastenliefde?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s