Ethiek·Filosofie·Individu & Samenleving·Politiek

Leiders zeggen nooit: ‘Ik heb geen keuze’

– Door Jan Vorstenbosch, universitair docent ethiek aan de Universiteit Utrecht – 

In haar grasduinrecensie in de NRC van 20 januari bespreekt Elsbeth Etty Het Ajax Dilemma van Paul Woodruff, dat ik vorig jaar vertaalde en dat onlangs gepubliceerd werd. Daarin noemt ze Woodruff’s karakteriseringen van leiderschap ‘kinderlijk’. Hoogstwaarschijnlijk denkend aan figuren als Poetin en Trump, lijkt Etty het naïef te vinden over goed leiderschap te spreken in termen van persoonlijke kwaliteiten die leiders dienen te bezitten. Maar daarmee slaat ze de plank volledig mis. Woodruff’s punt is juist dat het cruciaal is om leiderschap te onderscheiden van bijvoorbeeld autoriteit en macht. Leiders zijn níet per se diegenen die autoriteitsposities bekleden; CEO’s, presidenten, hoge geestelijken hebben natuurlijk autoriteit, maar dat alleen maakt nog geen leider. Sterker nog: je hoeft helemaal geen autoriteitspositie te hebben om een leider te zijn. Zonder leiderschap te onderscheiden van macht en autoriteit kunnen we niet begrijpen wat goed leiderschap is, noch kritiek leveren als leiderschap faalt. En daarbij is het onvermijdelijk het óók te hebben over de persoonlijke karaktereigenschappen die mensen tot leiders maken.

Autoriteit is een institutionele zaak, leiderschap een morele. De morele leider staat echter niet tegenover de autoriteit (een autoriteit kan heel goed een leider zijn), maar tegenover de tiran. Het verschil in institutionele posities, zoals het presidentschap, wordt gemaakt door de manier waarop leiders en tirannen omgaan met de formele (en fysieke!) macht waarover ze beschikken. Tirannen bevelen en dreigen, morele leiders overtuigen. Tirannen pushen en duwen, leiders trekken aan, inspireren, vormen een voorbeeld, en worden gevolgd uit vrije wil.

In Woodruffs opvatting kan iedereen een leider zijn, in alle sociale contexten. Zelfs een kind met het syndroom van Down, voetballend in een G-team, kan een voorbeeld zijn, omdat leiders leiden door wie ze zijn, hun aantrekkingskracht, ‘magnetism’, in specifieke situaties, niet door wat ze ‘achter de hand hebben’ aan machtsmiddelen zoals geld, wapens en chantage. Zo’n kind heeft helemaal niks achter de hand, hij heeft gewoon plezier in voetbal, en daarom is hij letterlijk ontwapenend en een leider voor andere voetballiefhebbers.

Leiderschap is dus volgens Woodruff een morele kwalificatie die sterk context-gebonden is. Hij denkt niet alleen aan CEO’s, politieke leiders of presidenten, maar ook aan leraren, ouders, scheidsrechters, maar ook scholieren, kinderen, voetballers. Ga er niet zomaar vanuit dat kinderen ouders niet kunnen leiden.

Woodruff bindt zijn opvatting van leiderschap aan drie belangrijke methodische kwalificaties.

De eerste, deels door Plato (waarvan Woodruff een groot kenner is) beïnvloede kwalificatie is dat moreel leiderschap een ‘ideale’ eigenschap is die niet vastzit aan individuen maar aan een set van kenmerken die karakteristiek zijn voor ‘de’ morele leider, en die niemand in zuivere vorm en blijvend in de concrete werkelijkheid kan realiseren. Woodruff is daarbij absoluut niet naïef, eerder zeer realistisch over de mate waarin we leiderschap werkelijk aantreffen. Dit onderscheidt de leider van zijn tegenhanger, van de tiran die we vaak in machtige posities zien en die zichzelf juist als de belichaming van leiderschap portretteert waarmee mensen zich als het ware vanzelf vereenzelvigen. De tiran speelt in op angst, en gebruikt deze om zichzelf belangrijker te maken – te idealiseren. De leider doet het tegenovergestelde: hij presenteert zichzelf juist niet als de perfecte leider die in staat is voor alle problemen blijvende oplossingen te vinden, maar maakt mensen moediger door zelf moed te tonen.

De tweede kwalificatie is dat Woodruff leiderschap niet exclusief aan hiërarchische of institutionele structuren bindt. Moreel leiderschap heeft een aantal kenmerken waarvan er veel over verschillende contexten dezelfde blijven; zoals bijvoorbeeld het luisteren naar anderen. Maar in specifieke contexten en situaties, neem de politieke context of de onderwijscontext, spelen ook specifieke andere kwaliteiten die bij die context horen, een grote rol om een effectief leider te zijn. Dit zijn meer instrumentele ‘toolkits’ zoals die van de spreker, de manager, de bestuurder, de beslisser; noodzakelijk om effectief en succesvol op te treden en het goede in die context te realiseren. Vooral deze complexiteit is belangrijk bij het beoordelen van politici en het vertrouwen dat je erin kunt hebben dat ze het land goed zullen leiden. Moreel leiderschap van een land is iets anders dan moreel leiderschap in een kerk of een schoolklas. Ook leerlingen in een schoolklas kunnen leiders zijn.

De derde kwalificatie is dat concrete situaties om ander leiderschap vragen. Een goed voorbeeld uit de politieke context is Winston Churchill. Een legendarische oorlogspremier, die meteen na de oorlog, toen de opbouw van Engeland op de agenda stond, de verkiezingen verloor van Attlee. De conservatief, stijfkop, en motivator was wel geschikt om een oorlogskabinet te leiden, maar kreeg (terecht?) niet het vertrouwen van de kiezers om de wederopbouw van het land te leiden, waarvoor andere kwaliteiten belangrijker geacht werden. Wat voor Woodruff in deze situatie doorslaggevend zou zijn is de vraag of Churchill een goede of slechte verliezer was: of hij de zelfkennis had om te erkennen dat hij niet de juiste man was om Engeland weer op te bouwen, en daarmee precies door loyaal en met waardigheid afstand te doen van zijn autoriteitspositie zijn kwaliteiten als leider kon tonen.

Misschien het belangrijkste kenmerk van de leider is dat hij geen dingen doet die de gemeenschap, hier de politieke gemeenschap, uit elkaar scheuren. De term ‘verbinden’ is in dit verband een cliché geworden. Maar voor zover dat mogelijk is in een boek, dat nooit de feiten van concrete situaties recht kan doen, zegt Woodruff veel dingen die de kern van de politiek als een agonistische arena beter treffen dan andere boeken. Zoals bijvoorbeeld dat leiders nooit zeggen ‘Ik heb geen keuze’ – politiek is precies dat: keuzes maken, daarvoor niet weglopen, ze verdedigen, geloofwaardig maken voor de burger, en er dan verantwoordelijkheid voor nemen en voor blíjven nemen.

Ik laat het aan graag aan de lezer over om de komende maanden te bepalen wie in het licht van deze overwegingen zijn of haar stem krijgt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s