Gezondheid·Kennis & Cognitie·Wetenschap

Bestaat dyslexie echt?

Door Roy Dings (promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen)

In het Algemeen Dagblad (AD) van 9 februari jl. zetten drie hoogleraren vraagtekens bij de diagnose dyslexie. Kinderen met die diagnose moeten volgens hen simpelweg meer oefenen met lezen. Maar de maatschappelijke verontwaardiging die volgde op dit nieuwsbericht, alsmede de uitspraken van de hoogleraren zelf, zit barstensvol (tegenstrijdige) theoretische aannames over wat een stoornis zoals dyslexie ‘is’ en of het ‘echt’ bestaat.

Eerst wat cijfers. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat tussen 2001 en 2009 gemiddeld zes procent van de kinderen tussen de 7 en 12 jaar dyslexie had. Tussen 2009 en 2016 steeg dat percentage tot gemiddeld acht procent. Bovendien krijgen kinderen in deze leeftijdscategorie steeds vaker professionele hulp: van 2009 tot 2014 steeg het aantal geregistreerde behandeltrajecten voor dyslexie van 7 tot 32 per 1000 kinderen.

Maar wat houdt het in wanneer iemand de diagnose dyslexie krijgt? Wat zegt dit over de persoon in kwestie? Volgens de Van Dale is dyslexie een ‘stoornis waarbij iemand moeite heeft met lezen, schrijven en spellen’. Maar wat ‘is’ een stoornis? En bestaan stoornissen wel ‘echt’, zoals bomen en rotsen bestaan?

Twijfels over ‘bestaan’ van dyslexie

De hoogleraren zijn hierover verdeeld. Hoewel ze het met elkaar eens zijn dat kinderen die moeite hebben met lezen juist méér moeten oefenen, verschillen ze van mening over de zogenoemde ‘ontologische status’ van dyslexie: of het ‘echt’ bestaat. Zo vraagt professor Anna Bosman van de Radboud Universiteit in Nijmegen zich na tien jaar onderzoek af “of dyslexie wel echt bestaat”. Haar collega professor Ben Maassen van de Rijksuniversiteit Groningen benadrukt dat “erfelijke dyslexie wel degelijk bestaat, maar dat niet meer dan 5 procent van de bevolking daarmee te maken heeft”. Blijkbaar zijn er dus meerdere varianten van dyslexie, waarvan er sommige “wel degelijk” bestaan en anderen niet.

Hoe denken mensen die de diagnose gekregen hebben eigenlijk over de ontologische status van dyslexie? Radio 3FM sprak met enkele dyslectici. De 27-jarige Wouter Jolink noemt de uitspraken van de professoren “ongenuanceerd” omdat ze zouden impliceren dat dyslexie niet bestaat en dyslectici eigenlijk lui zijn – iets waar Jolink zich niet in herkent. De 20-jarige Eline Nagel heeft wat meer begrip maar is het toch niet helemaal eens met de uitspraken van de hoogleraren: “Ze zullen het ergens wel hebben aangetoond want er is tien jaar onderzoek naar gedaan. Maar ik geloof niet dat dyslexie niet bestaat, anders zou ik ook geen verschil ervaren met andere mensen”.

Wat ‘is’ dyslexie?

Om te bepalen of dylsexie ‘echt’ bestaat, moeten we bepalen wat dyslexie ‘is’. Dit is makkelijker gezegd dan gedaan, want wat is dsylexie?

Zo wordt er soms gesproken over dyslexie als iets wat iemand heeft (‘Ik heb dyslexei’) en soms als iets dat iets zegt over wie je bent (‘Ik ben dyslecticus’). Bovendien kijken patiënten en onderzoekers verschillend naar dslyxie. Voor een patiënt ‘is’ dyslexie de moeite die hij of zij ervaart bij het lezen en/of schrijven. Dit kan erg frustrerend zijn: waarschijnlijk was het, ook voor de niet-dyslectische lezer, al vervelend dat hierboven wat typo’s stonden (voor een meer omvattende ervaring van hoe het is om dyslexie te hebben klik hier). Wetenschappers daarentegen zijn juist geïnteresseerd in dyslexie als een verzameling symptomen (waar de frustrerende ervaring er één van is). Bij voldoende symptomen kan de diagnose dyslexie gesteld worden.

Is dyslexie een ‘ding’?

Maar daarmee zijn we er nog niet. Want ook als dyslexie alleen de verzameling symptomen is, dan zijn er verschillende manieren om die symptomen te duiden en te verklaren. Volgens hoogleraar Kees Vernooy wordt er bij kinderen uit een laagopgeleid milieu eerder naar een verklaring gezocht in termen van negatieve omgevingsfactoren (zoals weinig hulp bij huiswerk). Bij kinderen uit een hoogopgeleid milieu zijn die negatieve omgevingsfactoren er minder en, aldus Vernooy, wordt daar dyslexie eerder als oorzaak aangewezen.

In dergelijke gevallen vindt er doorgaans een belangrijke verschuiving plaats: dyslexie verwijst dan niet meer naar de verzameling symptomen maar naar de oorzaak van die symptomen. Kortom, dyslexie ‘is’ datgene waardoor iemand moeite heeft met lezen en schrijven. Het is iets dat als het ware voorafgaat aan de symptomen, en is niet simpelweg het ‘cluster’ van al die symptomen samen. Dyslexie is opeens een ‘ding’ dat ons gedrag bepaalt, dat symptomen teweegbrengt. Maar als dat zo is, wat voor ‘ding’ is het dan? Het antwoord op die vraag zoekt men de laatste tijd steeds vaker in de hersenwetenschap. Het idee daarbij is dat dyslexie, op de één of andere manier (daarover is nog weinig consensus), een hersenaandoening is die de symptomen, waaronder de frustrerende ervaring, teweegbrengt. (Zie bijvoorbeeld de pagina van De Hersenstichting over dyslexie, of de visie van dyslexiespecialist Els Dekkinga in een interview met Den Haag FM.)*

Langs elkaar heen praten

Binnen de maatschappelijke discussie bestaan er dus verschillende posities die mogelijk slechts schijnbaar met elkaar in conflict zijn. De patiënten voelen zich aangevallen omdat ze denken dat hun ervaringen van frustratie bij lezen en schrijven worden ontkend. Maar de (bovengenoemde) hoogleraren hebben een ander begrip van dyslexie en zullen niet ontkennen dat sommige mensen meer moeite ervaren bij het lezen en schrijven. Dat deze mensen bijgevolg minder zin hebben om te lezen is helemaal niet gek en de hoogleraren verwarren die moeite heus niet met luiheid. Zij willen juist weten wat die moeite teweegbrengt.

Wetenschappers lijken het erover eens dat die moeite teweeg wordt gebracht door zowel biologische als omgevingsfactoren. Eén van die omgevingsfactoren is, ironisch genoeg, ‘het ontvangen van de diagnose dyslexie’. Dat wil zeggen: zodra iemand de diagnose dyslexie ontvangt kan het zijn dat hij of zij bepaalde opdrachten niet hoeft te maken waardoor hij of zij misschien minder hoeft te lezen (en dus ook minder frustratie zal ervaren). Maar door minder te lezen, ontwikkelen de leesvaardigheden zich ook minder snel. Het risico bestaat daarmee dat de persoon in kwestie na verloop van tijd minder goed kan lezen (ten opzichte van leeftijdsgenoten), waardoor de diagnose zichzelf lijkt te rechtvaardigen.

Dit betekent overigens niet dat dyslexie een gevolg is van de diagnose dyslexie. Het betekent louter dat de diagnose één van de factoren is die een rol kan spelen bij het verloop van de lees- en schrijfproblemen. En om te voorkomen dat deze factor een negatief effect heeft op de kinderen die gediagnosticeerd worden, zouden juist kinderen met dyslexie meer moeten lezen – en daar pleiten de hoogleraren voor.

* Zie ook dit stuk van Trudy Dehue in de Volkskrant van afgelopen maandag.

Voor een eerdere blog van Roy op BNI, zie deze link.

 

4 gedachten over “Bestaat dyslexie echt?

  1. Bij de discussie over dyslexie wordt er weinig gekeken naar dit fenomeen in andere talen/landen. Naar mijn weten komt dyslexie in Engeland en Frankrijk nog vaker voor als in Nederland en veel minder in bv Italie. Mag u raden waar de spellingsregels moeilijk en onlogisch zijn en waar zij simpel en logisch zijn. Er is dus nog wel iets te winnen door de spelling logischer en consequenter (konsekwenter) te maken.

    Like

    1. Beste Albert,

      Dank voor je reactie.
      Je benadrukt, terecht wat mij betreft, dat er nog een bijkomende factor een rol kan spelen bij de totstandkoming van de symptomen van dyslexie (de complexiteit van de taal).
      Hoewel ik de invloed van deze factor zeker niet wil ontkennen, dient er bij een internationale vergelijking ook rekening te worden gehouden met andere zaken: is het niveau van het -taal-onderwijs bijvoorbeeld wel vergelijkbaar? Vanaf welke leeftijd gaan kinderen in de andere landen naar school? Heeft het land één of meerdere officiële talen? Enzovoorts.
      Pas als we over dergelijke aspecten helderheid over hebben (en daarvan heb ik zelf geen kennis) kunnen we bepalen of de internationale vergelijking terecht is of niet, en kunnen we de invloed van de factor ‘complexiteit van de taal’ wegen.

      Like

      1. Maar Albert heeft wel een punt. En dan gaat het niet zo zeer om de spellingsregels, maar om het gebrek aan eenduidigheid in de klank en het woordbeeld. Het Engels is daar beroemd om. Kijk hier maar eens: http://www.thepoke.co.uk/2011/12/23/english-pronunciation/
        Hoe kun je aan de hand van de klanken nu ooit bepalen hoe een woord geschreven moet worden? En dus ook andersom: hoe kun je nu ooit aan het woordbeeld ontdekken hoe het uitgesproken (en dus hoe het geezen) moet worden.
        Er is overigens heel wat vergelijkend onderzoek gedaan.

        Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s