Identiteit·technologie

Techniek begint daar waar lichaam en geest ophouden. Of niet?

 

– Door Leon de Bruin (RU), Fleur Jongepier (RU, EUR) en Sem de Maagt (UU) – 

Techniek wordt vaak gezien als een hulpmiddel. Als je iets wilt schrijven pak je een pen, als je een restje eten wilt opwarmen gebruik je de magnetron, en als je naar het café gaat stap je op de fiets. Techniek wordt dus begrepen als iets wat buiten onszelf bestaat: een pen is geen onderdeel van wie je bent, maar iets wat je kunt gebruiken. Dit lijkt ons ook een duidelijk criterium te geven voor de wenselijkheid van (nieuwe) techniek: een techniek is wenselijk als deze goed van pas komt.

Hoewel een dergelijke instrumentele visie prima lijkt te werken voor pennen, fietsen en het opwarmen van eten in een magnetron, doet ze geen recht aan de complexiteit van de relatie tussen mens en techniek. Ze vooronderstelt namelijk dat er een duidelijke grens bestaat tussen onszelf en de techniek die we gebruiken. Techniek begint daar waar jouw lichaam en geest ophouden. Maar is deze grens eigenlijk wel zo duidelijk als ze op het eerste gezicht lijkt?

Waar begint en eindigt ons lichaam?

Laten we eerst eens kijken naar ons lichaam. Hoewel we gemiddeld genomen een goed beeld hebben van hoe een compleet lichaam eruitziet, is het niet moeilijk om gevallen te vinden die dit beeld ontkrachten. Neem bijvoorbeeld de zogenoemde rubberenhandillusie, waarin het brein om de tuin wordt geleid om een vreemd object als lichaamseigen te accepteren. Een proefpersoon, gezeten achter een tafel, legt beide handen plat op het tafelblad. Zijn linkerhand kan hij niet zien doordat er rechts van deze hand een houten schot op het tafelblad is geplaatst. Rechts van dit schot ligt een rubberen prothese van een linkerhand. De proefpersoon ziet dus alleen zijn eigen rechterhand en links daarvan de prothese. Nu strijkt iemand met een kwastje tegelijkertijd over de rubberen hand en over de echte linkerhand van de proefpersoon. Na verloop van tijd krijgt de proefpersoon het vreemde gevoel dat de rubberen hand bij zijn eigen lichaam hoort (je kunt dit thuis uitproberen). De verklaring die hier doorgaans voor wordt gegeven is dat de hersenen een verband registreren tussen wat we zien en wat we voelen, en dat we de rubberen hand hierdoor als onderdeel van onszelf zien. (Zie bijvoorbeeld ook dit filmpje.)

Het omgekeerde is ook mogelijk. Zo zijn er mensen met apotemnofilie, wat inhoudt dat zij zich niet kunnen identificeren met een bepaald deel van hun lichaam. Zij hebben het gevoel dat ze in letterlijke zin vastzitten aan een lichaamsdeel dat niet van hen is, en gaan tot het uiterste om dit lichaamsdeel te verwijderen. Neem het geval van George Boyer, die een diep verlangen koestert om zich van zijn linkerbeen te ontdoen. Dit verlangen heeft hij naar eigen zeggen al van kinds af aan gehad, en het is alleen maar sterker geworden naarmate hij ouder werd. Op een zonnige morgen in 1992 schiet Boyer daarom met een geweer zijn linkerbovenbeen aan flarden. Eenmaal in het ziekenhuis aangekomen staan de artsen voor een lastig dilemma. Terwijl zij uit alle macht proberen om het been van Boyer te redden, smeekt deze hen juist om het been zo snel mogelijk te amputeren. Na de amputatie zegt Boyer dat hij zich voor het eerst in zijn leven ‘helemaal compleet’ voelt, ondanks het feit dat hij geen linkerbeen meer heeft.

Waar de rubberenhandillusie laat zien dat objecten die normaal niet tot het lichaam worden gerekend, in sommige gevallen juist wel als eigen gezien worden, toont het geval van Boyer dat lichaamsdelen die normaal gesproken tot het lichaam worden gerekend, soms toch als oneigen worden beschouwd. Daarmee suggereren deze voorbeelden ook een andere visie op techniek. Als we een wandelstok gebruiken om beter te kunnen lopen, of een bril dragen om beter te kunnen zien, dan zouden we kunnen zeggen dat deze objecten niet zomaar externe hulpstukken zijn, maar onderdeel zijn geworden van ons lichaam. Niet voor niets zeggen blinde mensen dat het voelt alsof hun blindenstok een onderdeel is geworden van hun lichaam. Volgens deze visie is techniek dus niet iets wat buiten ons om gaat, maar een integraal onderdeel van onze lichamelijke identiteit. Bepaalde vormen van techniek vormen niet slechts een hulpmiddel, maar een verlengstuk of uitbreiding van ons lichaam.

Een uitbreiding van de geest?

Volgens sommige filosofen geldt dit niet alleen voor het menselijke lichaam, maar ook voor de menselijke geest. In 1998 publiceerden Andy Clark en David Chalmers een inmiddels beroemd geworden artikel waarin ze de ‘uitgebreide-geesthypothese’ introduceren. Deze hypothese stelt dat de grenzen van de menselijke geest niet worden bepaald door de hersenen, net zoals de grenzen van ons lichaam niet worden bepaald door onze biologische ledematen. Om dit aannemelijk te maken doen Clark en Chalmers een beroep op het volgende gedachte-experiment. Inga en Otto krijgen te horen dat er een goede tentoonstelling is in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York, en besluiten erheen te gaan. Inga denkt een moment na en herinnert zich dat het museum is gevestigd aan 53rd Street. Ze wandelt naar 53rd Street en gaat het museum binnen. Voor Otto, die aan alzheimer lijdt, werkt het echter niet zo simpel. Omdat zijn geheugen hem vaak in de steek laat, heeft hij altijd een notitieboekje bij zich. Steeds als hij iets nieuws leert, schrijft hij dit in zijn boekje. Als Otto van de tentoonstelling in het MoMA hoort, kijkt hij in zijn notitieboekje. Daarin staat dat het museum is gevestigd aan 53rd Street. Otto loopt naar 53rd Street en gaat het museum binnen.

De moraal van dit gedachte-experiment is dat het notitieboekje voor Otto precies dezelfde functie vervult als het geheugen voor Inga. Clark en Chalmers doen hierbij een beroep op het zogenoemde ‘gelijkheidsprincipe’. Stel dat we een bepaalde cognitieve taak moeten uitvoeren en hierbij iets uit de wereld als hulpmiddel gebruiken (bijvoorbeeld een rekenmachine). Als dit hulpmiddel op zo’n manier werkt dat, wanneer het zich in ons hoofd zou afspelen, we het zonder aarzelen als een onderdeel van een cognitief proces zouden beschouwen, dan is dit hulpmiddel ook daadwerkelijk een onderdeel van het cognitieve proces. Aangezien het notitieboekje van Otto op dezelfde manier werkt als het geheugen van Inga, en we zonder aarzelen kunnen stellen dat het geheugen van Inga onderdeel is van haar cognitieve proces, kunnen we daarom ook stellen dat het notitieboekje een onderdeel is van Otto’s cognitieve proces (en dus van zijn geest). Hetzelfde geldt voor andere hulpmiddelen, zoals mobiele telefoons, iPads en misschien zelfs het internet. De geest zit niet alleen tussen onze oren, maar strekt zich uit in de omgeving. Volgens de visie van Clark en Chalmers zijn mens en techniek dus geen aparte componenten die op elkaar kunnen worden gestapeld. Techniek is een intrinsiek onderdeel van wie wij zijn – zowel van ons lichaam, als van onze geest. Ze is niet zomaar een instrument dat we kunnen gebruiken, maar constitutief voor wie wij zijn.

Wat dit laat zien is dat de vraag naar de wenselijkheid van techniek niet zo gemakkelijk te beantwoorden is. Het gaat namelijk niet alleen over de bruikbaarheid van techniek, maar ook over de wijze waarop techniek onze identiteit vormt en hoe wenselijk deze identiteitsverandering is.

Leon, Fleur en Sem zijn de auteurs van Ik. Filosofie van het Zelf, dat recentelijk bij Boom werd uitgegeven. Bovenstaand stuk is gebaseerd op een fragment uit het laatste hoofdstuk, Zelfverbetering.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s