Kennis & Cognitie·Wetenschap

Een meer conservatieve universiteit is een betere universiteit.

Door Andreas De Block en Olivier Lemeire (resp. hoogleraar en post-doctoraal onderzoeker Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, KU Leuven)

De media en ook deze blog (zie hier en hier) hadden een tijdje geleden heel wat aandacht voor de motie van VVD-kamerleden Duisenberg en Straus om de aanwezigheid van een linkse bias aan Nederlandse universiteiten te onderzoeken. Maar het debat erover ebde uiteindelijk snel weg. Het moment lijkt nu rijp om wat afstand te nemen van dit specifieke voorval en dieper in te gaan op de fundamentele vragen die in dit debat aan bod kwamen. Wij denken daarbij vooral aan de vraag welke (politieke) diversiteit we precies moeten nastreven binnen de universiteit.

De feitelijke kwestie of er wel degelijk een oververtegenwoordiging is van linkse academici in Nederland en België is relevant, maar gaan we hier niet bespreken. Waar we hier wel voor willen argumenteren is dat wanneer er een oververtegenwoordiging van één bepaalde ideologische strekking zou zijn, dit ook epistemisch problematisch zou zijn. We zijn met andere woorden geïnteresseerd in de voordelen van ideologische diversiteit voor het proces van waarheidsbevinding. De aanleiding daartoe is de vermeende ondervertegenwoordiging van rechtse academici, maar men kan de rest van deze blogpost ook lezen vanuit het omgekeerde perspectief. Stel dat in de toekomst linkse academici sterk ondervertegenwoordigd zouden zijn of zich niet meer als zodanig zouden durven uiten – een toekomstperspectief dat na de recente publicatie van de professor watchlist (zie hier) minder vergezocht lijkt dan enkele jaren geleden – waarin zou dan net het probleem van deze ondervertegenwoordiging liggen?

Eén argument dat vaak wordt gegeven als het gaat over demografische diversiteit aan de universiteit en de problemen met discriminatie op basis van geslacht of afkomst, is dat deze kenmerken epistemisch waardevol zijn voor de wetenschap. Dit is de centrale stelling van de hoeksteen van de feministische epistemologie: de standpunt theorie (Beebee 2013). De intuïties, cognitieve stijlen en ervaringen van vrouwen zouden verschillend zijn, waardoor er nu niet alleen veel talent verloren gaat dat bestaande visies en argumenten zou kunnen verdiepen, nuanceren of bijsturen, maar waardoor er waarschijnlijk ook veel onderzoekspaden onbewandeld blijven omdat die paden vertrekken bij ervaringen, denkstijlen en intuïties die minder of niet te vinden zijn bij witte westerse mannen (Saul 2013). Natuurlijk is dit maar één mogelijk argument tegen discriminatie op basis van demografische kenmerken. Maar als demografische diversiteit epistemisch waardevol is omdat het zorgt voor meer viewpoint diversity, gaat dat argument volgens ons nog meer op voor groepen die gedefinieerd worden op basis van hun visies, zoals politieke overtuigingen.

Maar waarschijnlijk zal niet elke lezer hier overtuigd zijn van de feministisch standpunt theorie. In een eerdere blogpost op deze site (hier), argumenteerde Dascha Düring bijvoorbeeld nog dat er geen nood is aan meer rechtse academici om de vermeende linkse oververtegenwoordiging te compenseren. Zij vindt het zelfs beledigend aan het adres van docenten en studenten dat Duisenberg het verschil tussen meningen en argumenten niet ziet, en suggereert dat docenten slechts ingewikkelde meningen voorschotelen. Maar dat ook onderzoekers niet altijd het onderscheid kunnen maken tussen meningen en argumenten, en dat onderzoekers vaak argumenten beoordelen op basis van (politieke) meningen, zijn niet enkel vooronderstellingen van Duisenberg, of van de standpunt theorie, maar vooral ook bevindingen uit heel wat cognitief psychologisch onderzoek. Welke argumenten men bedenkt, aanvaardt of afwijst wordt wel mede bepaald door je (politieke) meningen (Nickerson 1998). We weten ondertussen dat mensen er beter in zijn argumenten te vinden die hun visie ondersteunen dan in argumenten die hun positie ondergraven, en ook beter in het vinden van argumenten tegen een positie die zij verwerpen dan voor een dergelijke positie. De lange lijst cognitieve biases waar onderzoek naar wordt gedaan (confirmation bias, congruence bias, expectation bias, blind spot bias, etc.) dragen er allemaal toe bij dat ook academici vaak in de fout gaan bij het argumenteren en het beoordelen van argumenten. De beste argumenten voor het theïsme zal je bijvoorbeeld niet horen van een atheïst, maar de kans is wel groot dat de atheïst het beste argument ontwikkelt tegen het theïsme. Bovendien toont onderzoek naar politically motivated reasoning ook aan dat het accepteren van bepaalde feiten in een debat sterk wordt bepaald door je politieke identiteit, zowel bij ‘links’ als ‘rechts’, en dat dit effect sterker wordt naarmate mensen intelligenter zijn (Kahan 2013; Kahan, Peters et al. 2012).

Dit verklaart ook waarom in groep redeneren resulteert in de beste argumenten, op voorwaarde dat er verschillende redeneringen en verschillende posities vertegenwoordigd zijn (Mercier & Sperber 2011). Daarom denken wij dat een sterke ondervertegenwoordiging van ‘rechts’ epistemologisch problematisch zou zijn. Ten eerste zal het betekenen dat de argumenten van meer centrum of linkse academici minder sterk zullen zijn, dan mocht men ook de rechtse argumenten horen. Ten tweede zou het kunnen dat de ondervertegenwoordiging van rechtse academici er — ironisch genoeg — toe leidt dat de rechtse stemmen die wél gehoord worden, niet de beste rechtse argumenten produceren. Ceteris paribus lijkt immers te gelden dat hoe minder rechtse academici er zijn, hoe kleiner de kans is dat er goede rechtse academici zijn. Ten derde wordt de bewijslast wel heel erg aan de kant van de rechtse posities gelegd. Een marginale of gemarginaliseerde positie zal veel meer tegenstand oproepen, en moet dus veel beter verdedigd worden, dan de mening die door de (machtige) meerderheid wordt gedeeld. De dynamiek tussen deze drie repercussies is bovendien van dien aard dat de uitsluiting mettertijd sterker zal worden, veeleer dan af te zwakken.

Een goed voorbeeld van deze effecten is volgens ons de beruchte studie van Regnerus (2012), waarin die concludeerde dat kinderen van ouders die een relatie hadden met een partner van hetzelfde geslacht, het in verhouding met andere kinderen later sociaal, psychologisch en emotioneel slechter deden. De methodologische (en morele) kritiek die de studie, de auteur en de redacteur van het tijdschrift dat de studie publiceerde te verwerken kreeg, was overweldigend. Of die kritiek terecht was doet hier minder ter zake. Wel de vraag of er evenveel kritiek was gekomen als een studie met een identieke methodologie het omgekeerde had aangetoond. Dat lijkt ons in ieder geval erg onwaarschijnlijk. Op vele punten was de studie van Regnerus immers methodologisch superieur aan studies die het tegendeel beweren aan te tonen (Redding 2013). In een ideologisch eenzijdig klimaat is de kans groot dat methodologische beperkingen van studies die de eigen ideologie ondersteunen over het hoofd worden gezien, en dat die van studies die de eigen ideologie ondermijnen worden uitvergroot. Ideologische diversiteit, ook in de (sociale) wetenschappen, lijkt ons het beste middel om dit soort groupthink te vermijden (Janis 1971).

Hoewel wij ervan overtuigd zijn dat ideologische diversiteit epistemologisch waardevol is, en dat ons eigen domein – de filosofie – gebaat zou zijn met meer diversiteit, toont voorgaand voorbeeld meteen dat er nog een cruciale vraag overblijft: hoe ideologisch divers hoort de universiteit te zijn? Misschien zijn sommige lezers het met ons eens dat de universiteit ideologisch diverser dient te zijn dan ze nu is. Maar stel dat u zo een lezer bent, denkt u dan ook dat we (meer) nationaalsocialistische academici nodig hebben? En zouden meer anarchokapitalisten een zegen zijn? Of zijn dergelijke rechtse academici het equivalent van creationisten in de evolutiebiologie, wier argumenten eigenlijk niets bijdragen? Die vragen hopen we te verkennen in een volgende blogpost.

Referenties:

Beebee, H. (2013) Women and Deviance in Philosophy, in: K. Hutchison & F. Jenkins (red.) Women in Philosophy: What Needs to Change? Oxford: Oxford University Press, pp. 61-80.

De Block, A., & Lemeire, O. (2017). Is de filosofie te links?. Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 109(1), 105-122.

Janis, I. L. (1971). Groupthink. Psychology today, 5(6), 43-46.

Kahan, D. M. (2013). Ideology, Motivated Reasoning, and Cognitive Reflection. Judgment and Decision Making, 8, 407-424.

Kahan, D. M., Peters, E., Wittlin, M., Slovic, P., Ouellette, L. L., Braman, D., & Mandel, G. (2012). The polarizing impact of science literacy and numeracy on perceived climate change risks. Nature climate change, 2(10), 732-735.

Mercier, H. & D. Sperber (2011) Why Do Humans Reason? Arguments for an Argumentative Theory, Behavioral and Brain Sciences 34(2), pp. 57-74.

Nickerson, R. S. (1998). Confirmation bias: A ubiquitous phenomenon in many guises. Review of general psychology, 2(2), 175.

Redding, R.E. (2013) Politicized Science, Society 50, pp. 439-446.

Regnerus, M. (2012). How different are the adult children of parents who have same-sex relationships? Findings from the New Family Structures Study. Social science research, 41(4), 752-770.

Saul, J. (2013) Implicit Bias, Stereotype Threat and Women in Philosophy, in: F. Jenkins & K. Hutchison (red.) Women in Philosophy: What Needs to Change? Oxford: Oxford University Press, pp. 39-60.

 

Een gedachte over “Een meer conservatieve universiteit is een betere universiteit.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s