Geschiedenis·Kennis & Cognitie·Onderzoeksprojecten

Kevers, Kattensnoepjes en Kaaskroketten: Behaviorisme in de psychologie en de filosofie

Op 1 februari 2016 ontving Sander Verhaegh (TiLPS, Tilburg University) een Veni-beurs van het NWO om onderzoek te doen naar de conceptuele en historische connecties tussen psychologisch en filosofisch behaviorisme. In dit artikel introduceert hij zijn onderzoeksproject.  

Hoe voorkom je dat je hond de kamerplant als toilet gebruikt? Hoe zorg je dat je kat niet te pas en te onpas in de gordijnen klimt? Iedereen met een huisdier kent de effecten van wat in de psychologie ‘conditionering’ wordt genoemd. Door goed gedrag te belonen en onwenselijk gedrag te bestraffen, is het mogelijk elk huisdier om te vormen tot een ideale huisgenoot. Zo kunnen kattensnoepjes en een plantenspuit wonderen verrichten als je je gordijnen wil beschermen tegen Felix’ klauterdrift. Met een iets professionelere aanpak is het zelfs mogelijk conditioneringstechnieken te gebruiken om dieren relatief complexe handelingen aan te leren. Zo hebben psychologen laten zien dat het mogelijk is duiven te leren tafeltennissen en ratten te leren basketballen.

De wetenschap dat gedrag te sturen is met behulp van conditioneringstechnieken is nuttig, zeker ook wanneer je weet dat je deze technieken kan gebruiken om menselijk gedrag naar je hand te zetten. Maar in hoeverre kan gedrag ook verklaard worden in termen van positieve en negatieve ‘bekrachtiging’? In hoeverre, met andere woorden, vloeit ons huidige gedrag voort uit de manieren waarop ons gedrag in het verleden beloond dan wel afgestraft is?

Behaviorisme in de psychologie

In de midtwintigste eeuw werden de cognitieve en sociale wetenschappen gedomineerd door het behaviorisme, een theorie die stelt dat al ons gedrag verklaard kan worden in termen van bekrachtiging. Psychologen als Clark Hull, Edward Tolman en B. F. Skinner waren dusdanig onder de indruk van de toenmalige resultaten uit de gedragswetenschappen (bekende voorbeelden zijn het Pavlov-effect en Thorndikes wet) dat ze de psychologie omvormden tot een discipline die zich uitsluitend bezighoudt met het bestuderen van gedrag (in plaats van mentale processen).

Behaviorisme is echter niet alleen een psychologische theorie over gedrag en leermechanismen. Skinner – in 2002 uitgeroepen tot de meest invloedrijke psycholoog van de twintigste eeuw (nog vóór Freud en Piaget) – stelde dat het behaviorisme allereerst een filosofische theorie is; een theorie over de methodologische en de epistemologische fundamenten van de psychologie.

Om te zien wat Skinner bedoelt, neem een eenvoudige handeling als het kopen van een kaaskroket in de bedrijfskantine. Gevraagd naar de verklaring van dit gedrag zal de kantineklant zeggen dat hij honger had. Het causale model is eenvoudig: de krokettenkoper had honger en dat gevoel veroorzaakte zijn beslissing om een kaaskroket te kopen. De behaviorist, echter, vindt dat deze verklaring niet ‘diep’ genoeg gaat; ze wil een verklaring voor het hongergevoel – bijvoorbeeld het feit dat de krokettenkoper al vier uur lang niets meer gegeten had. Skinner stelt dat wanneer we zo’n achterliggende verklaring hebben gevonden, we net zo gemakkelijk kunnen zeggen dat dit de echte verklaring voor het gedrag in de bedrijfskantine was. De verwijzing naar het hongergevoel is overbodig geworden.

De conclusie, met andere woorden, is niet dat mentale toestanden als ‘honger’, ‘pijn’, en ‘angst’ niet bestaan, maar dat ze overbodig zijn in theorieën over gedrag. We kunnen een volledige verklaring bieden voor menselijk en dierlijk gedrag zonder te verwijzen naar mentale processen en toestanden. Een bijkomend voordeel is dat het schrappen van mentale toestanden allerlei methodologische voordelen biedt; waar psychologen zich voorheen in allerlei bochten moesten wringen om toestanden als ‘honger’ en ‘pijn’ betrouwbaar te kunnen meten (probeer maar eens objectief vast te stellen of jouw hongergevoel groter of kleiner is dan het mijne) kunnen behavioristen zich richten op factoren die publiek waarneembaar zijn.

Behaviorisme in de analytische filosofie

Gezien deze wetenschapsfilosofische overwegingen is het niet verrassend dat het behaviorisme, zij het in een iets andere verschijningsvorm, ook een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van de (analytische) filosofie. Vrijwel alle grote analytische denkers uit de midtwintigste eeuw – Rudolf Carnap, Ludwig Wittgenstein, Gilbert Ryle, Willard Van Orman Quine, Wilfred Sellars – ontwikkelden filosofische varianten van het behaviorisme. In deze filosofische verschijningsvormen was het behaviorisme met name een theorie over betekenis. Wittgenstein, bijvoorbeeld, stelde dat woorden als ‘honger’ en ‘pijn’ niet verwijzen naar interne mentale toestanden maar naar het publieke gedrag dat geassocieerd wordt met honger en pijn. Beroemd is zijn keveranalogie om deze stelling te illustreren.

Veronderstel dat iedereen een doosje zou hebben, en dat daarin iets zat dat wij ‘kever’ noemen. Niemand kan ooit in het doosje van een ander kijken; en iedereen zegt dat hij alleen doordat hij naar zijn kever gekeken heeft weet wat een kever is.—Dan zou het toch kunnen zijn dat iedereen een ander ding in zijn doosje had. Ja, je zou je kunnen voorstellen dat zo’n ding voortdurend veranderde.—Maar als het woord ‘kever’ van deze mensen nu toch een gebruik had?—Dan zou het niet de aanduiding van een ding zijn. Het ding in het doosje maakt helemaal geen deel uit van het taalspel; zelfs niet als een iets; want het doosje zou ook leeg kunnen zijn.—Nee, dit ding in het doosje kan ‘uit de vergelijking weggestreept worden’; het verdwijnt, wat het ook is (Wittgenstein 1953, §293).

Volgens Wittgenstein, met andere woorden, spelen interne mentale toestanden geen rol in de betekenis van woorden als ‘honger’ en ‘pijn’, een theorie die ook wel analytisch behaviorisme wordt genoemd.

Parallelle ontwikkelingen

Hoewel er inhoudelijke verschillen bestaan tussen psychologische en filosofische varianten van het behaviorisme, is het frappant dat beide disciplines in de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw gedomineerd werden door behavioristische theorieën. Daar komt nog eens bij dat de eerder genoemde methodologische principes van het behaviorisme sterk doen denken aan de wetenschapsfilosofische voorschriften van de Weense Kring, die eveneens een vorm van behaviorisme (ookwel: logisch behaviorisme) ontwikkelde.  Ten slotte lijkt het geen toeval dat de invloed van het behaviorisme in beide disciplines vrijwel gelijktijdig sterk afnam nadat onder andere de linguïst Noam Chomsky eind jaren vijftig de cognitieve revolutie in gang zette – een revolutie die de studie van mentale processen weer op de kaart zette.

Deze parallelle ontwikkelingen roepen de vraag op in hoeverre psychologen en filosofen elkaar beïnvloed hebben. Hebben de psychologen inspiratie opgedaan bij de filosofen? Of waren het juist de filosofen die sterk beïnvloed werden door de (enigszins naïeve) wetenschapsfilosofische ideeën van de psychologen? Of, en dat is zeker ook een mogelijkheid, is er een onderliggende externe oorzaak die verklaart waarom beide disciplines zich onafhankelijk van elkaar in eenzelfde richting  ontwikkelden?

In mijn Veni-project zal ik de relatie tussen behavioristen in de psychologie en de filosofie reconstrueren. Naast een studie van de inhoudelijke overeenkomsten en verschillen tussen psychologische en filosofische vormen van behaviorisme, zal ik de banden tussen deze twee ogenschijnlijk opzichzelfstaande groepen van academici in kaart brengen door middel van een aantal gedetailleerde archiefstudies. Lazen de filosofen en de psychologen elkaars werk? Waarover spraken zij in hun onderlinge briefwisselingen? En verwezen zij naar elkaar in hun notities, ongepubliceerde lezingen en publicaties?

Veel wetenschappen zijn ooit als filosofische discipline begonnen. Zo kent de psychologie vrijwel dezelfde canon van grote denkers als de filosofie (Plato, Aristoteles, Descartes, Locke etc.) totdat psychologen eind negentiende eeuw een nieuwe experimentele methode ontwikkelden en het ‘ouderlijk huis’ verlieten. Maar hoe ontwikkelde de psychologie zich filosofisch gezien nadat zij zich afscheidde? En hoe reageerden de filosofen, nog altijd even geïnteresseerd in de aard en de ontwikkeling van de menselijke geest, op de nieuwe stroom aan experimentele resultaten? In mijn studie hoop ik nieuw licht te werpen op deze intrigerende periode uit de vroegtwintigste-eeuwse wetenschap.

Verder lezen:

O’Donohue, W. T. and Kitchener, R. F. (1999, eds.). Handbook of Behaviorism. Londen: Academic Press.
Smith, L. D. (1986). Behaviorism and Logical Positivism. Stanford: Stanford University Press.
Skinner, B. F. (1974). About Behaviorism. New York: Alfred A. Knopf.
Wittgenstein, L. (1953). Philosophische Untersuchungen. Vertaling: M. Derksen en S. Terwee. Filosofische onderzoekingen. Amsterdam: Boom.
Zuriff, G. E. (1985). Behaviorism: A Conceptual Reconstruction. New York: Columbia University Press.

Een gedachte over “Kevers, Kattensnoepjes en Kaaskroketten: Behaviorisme in de psychologie en de filosofie

  1. Wat een buitengewoon interessant onderwerp. Het verband tussen filosofie en psychologie springt wel heel duidelijk in het oog. Ik denk dat het moeilijk zal zijn nog zo’n sterk voorbeeld te vinden.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s