Economie·politieke filosofie·Rechtvaardigheid

Vrijstelling erfbelasting bij bedrijfsopvolging: inefficiënt en onrechtvaardig

Door Sem de Maagt en Ingrid Robeyns, respectievelijk universitair docent en hoogleraar aan het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht.

Stel: Frits erft van zijn ouders een huis dat 1 miljoen euro waard is. Hoeveel erfbelasting moet Frits over dit bedrag betalen?

Stel: Ella erft van haar ouders een fietswinkel ter waarde van 1 miljoen euro. Hoeveel erfbelasting moet Ella over dit bedrag betalen?

Je zou wellicht kunnen denken dat het antwoord op deze vragen grofweg hetzelfde is. Maar niets is minder waar. Frits zal ongeveer 183.730 euro aan belasting moeten betalen over het vermogen dat hij erft in de vorm van een huis.* Ella moet precies 0 euro belasting betalen over het vermogen dat zij erft in de vorm van een bedrijf.

De zogenaamde bedrijfsopvolgingsregeling is ervoor verantwoordelijk dat je geen of in ieder geval veel minder erfbelasting betaalt wanneer je een onderneming voorzet.** De belangrijkste motivatie die ten grondslag lig aan deze regeling is dat erfbelasting op bedrijven de continuïteit van bedrijven in het geding zou brengen (wat vervolgens slecht zou zijn voor de economie). Hier bestaat echter, voor zover wij weten, geen empirische onderbouwing voor. De Raad van State adviseerde in 2016 om die reden dan ook om “de bestaande regeling ten principale te bezien.” Iets wat de politiek tot nu toe na heeft gelaten. In deze blogpost willen we een aantal additionele kanttekeningen plaatsen bij de bijzondere vrijstellingen die er gelden voor bedrijfsopvolging.

Carnegie

Kritiek op het idee van bedrijfopvolging binnen de familie vinden we al terug bij de meest invloedrijke liberale denkers uit de 18e en de 19e eeuw. Adam Smith (1723-1790), de bekende verdediger van de vrije markt, bekritiseerde de praktijk van overerving omdat het volgens hem zou leiden tot welvaartsverlies. Iemand die een stuk grond erft, zo beargumenteerde Smith, heeft vaak niet de motivatie en niet de capaciteiten om de grond te cultiveren (1978, 169). En de liberale filosoof J.S. Mill (1806-1873) schreef het volgende:

The heir of entail, being assured of succeeding to the family property, however undeserving of it, and being aware of this from his earliest years, has much more than the ordinary chances of growing up idle, dissipated, and profligate
(1909[1848], V.ix.11).

Met andere woorden, de klassiek liberalen waren bang dat erfenissen zouden leiden tot luiheid en verlies aan productiviteit. Ook zeer rijke mensen hebben gewaarschuwd voor dit gevaar. Zo stelde Andrew Carnegie dat een (grote) erfenis

generally deadens the talents and energies of the son, and tempts him to lead a less useful and less worthy life than he otherwise would (1891, 371).

Als Carnegies inzichten correct zijn, dan leidt het overerven van kapitaal tot lagere economische productiviteit, eerder dan hogere productiviteit. In ieder geval kunnen we concluderen dat het overerven van bedrijven (of landbouwgrond of andere vormen van productief kapitaal) op de kinderen van de bedrijfseigenaars geen garantie levert op dat dit tot de meest optimale match leidt van nieuwe ondernemers met dat kapitaal.

Het is natuurlijk een empirische vraag of Smith, Mill en Carnegie gelijk hebben. Maar het is in ieder geval opmerkelijk te noemen dat de intellectuele voorvaderen van de belangrijkste hedendaagse voorstanders van de bijzondere vrijstelling voor bedrijfsopvolging in hun tijd kritisch waren over deze praktijk.

Ongelijke behandeling

Daarnaast leidt het belastingvrij (of belastingarm) overerven van bedrijven tot ongelijke kansen tussen ondernemers die een bedrijf van hun ouders in de schoot geworpen krijgen versus ondernemers die hun bedrijf helemaal van nul opbouwen of moeten overkopen van een ondernemer die zijn bedrijf verkoopt in plaats van overlaat aan zijn kinderen. Deze ongelijkheid is problematisch vanuit het perspectief van fairness, onder andere omdat wie een erfenis krijgt niet kan zeggen dit geld ‘verdiend’ te hebben door eigen inspanningen, waardoor mensen geen echte gelijke kansen hebben om te ondernemen: het is toeval of je geboren bent in een gezin waarin een zaak is opgebouwd, dan wel in een gezin waar niets te erven viel.

Maar het is ook problematisch vanuit het perspectief van efficiëntie. Immers, efficiëntie vergt eerlijke concurrentie. En daarom is het ook een kwestie van mogelijk lagere efficiëntie, want de ondernemer die tegen geen of zeer lage erfbelasting zijn onderneming krijgt, heeft een betere uitgangspositie die niet te danken is aan haar efficiënte manier van ondernemen en welvaartscreatie. Als Ella van haar ouders een fietswinkel erft ter waarde van 1 miljoen euro en daar geen cent erfbelasting op moet betalen, en Frits erft van zijn ouders een huis dat 1 miljoen euro waard is en betaalt daarvoor 183.730 euro aan erfbelasting, dan bevinden zij zich in ongelijke uitgangspunten om te gaan ondernemen. Het is niet vanzelfsprekend dat dit voor de welvaart van de bevolking een goede zaak is. Het verkopen van de zaak van de ouders aan de hoogstbiedende (wat ook Ella zelf kan zijn) zou niet alleen eerlijker zijn, maar wellicht ook zeker zo efficiënt (Haslett 1986).

Bovendien leidt een lagere erfbelasting bij bedrijven vergeleken met andere erfenissen tot een ongelijke behandeling van erfgenamen. Hoe kunnen we rechtvaardigen dat dat een kind dat 25.000 euro aan spaargeld erft meer belasting moet betalen dan iemand die een familiebedrijf van een miljoen erft? Of dat een kind dat een huis van een miljoen erft daar 183.730 belasting over moet betalen, terwijl iemand die een familiebedrijf ter waarde van een miljoen erft helemaal geen belastingen dient te betalen?

Ook leidt de regeling tot een prikkel om erfenissen in de vorm van bedrijven te gieten (de zogenaamde ‘incorporaties’), waardoor erfbelasting ontweken kan worden. Aangezien het waarschijnlijk is dat vooral kapitaalkrachtigen gemakkelijker de weg vinden naar advies over hoe men dergelijke erfbelastingontwijking kan regelen, leidt dit tot een toename van ongelijkheid: kleinere erfenissen worden dan volgens de gangbare belastingtarieven belast, terwijl grotere erfenissen deze erfbelastingen, onder andere via incorporaties, zullen weten te ontwijken. Het ethische en politieke ideaal van gelijke kansen komt zo nog verder onder druk te staan.

Het einde van de familiebakkerij?

Toch zijn er goede redenen om kinderen de mogelijkheid te geven een familiebedrijf voort te zetten. Dit zouden we bijvoorbeeld kunnen doen door kinderen als eerste de mogelijkheid te geven om een familiebedrijf dat na het overlijden van de eigenaar eigendom wordt van de overheid terug te kopen van de staat, of door het eigenaarschap op de kinderen te laten overgaan maar, indien nodig, uitstel van betaling van de erfbelasting aan te bieden. De overheid zou dit financieel mogelijk kunnen maken door tegen gunstige voorwaarden leningen te verstrekken (voor een uitwerking van dit voorstel zie Haslett 1986, 138).

Er zijn op zijn minst twee redenen aan te dragen waarom een dergelijke mogelijkheid om het familiebedrijf voort te zetten belangrijk is. Ten eerste heeft een familiebedrijf voor veel mensen niet alleen een financiële waarde maar ook een emotionele waarde; het bedrijf kan onderdeel zijn van de identiteit van een familie en de individuen die deel uitmaken van de familie (denk bijvoorbeeld aan de bakkerij die al generaties lang in de familie is). Dit voorstel probeert rekening te houden met deze emotionele waarde. Ten tweede bestaat er het risico dat wanneer de overheid familiebedrijven simpelweg zou verkopen aan de hoogste bieder dat dit zou leiden tot een (verdere) concentratie van de productiefactor kapitaal, wat om redenen die uitgebreid in de economische en politiek-filosofische literatuur besproken is, onwenselijk is (Rawls 2003, 135–79; O’Neill en Williamson 2012; Piketty 2014).

Wat kunnen we uit deze analyse concluderen? De huidige bedrijfsopvolgingsregeling is de zoveelste instantie van het uitdelen van cadeautjes voor bedrijven op kosten van de schatkist. En het afschaffen van de huidige regeling hoeft niet te betekenen dat we vaarwel moeten zeggen tegen de familiebakkerij.

* Berekening via https://www.belastingdienst.nl/rekenhulpen/erfbelasting/
** Er bestaat binnen deze regeling een 100% vrijstelling tot ongeveer 1 miljoen euro. Voor elke euro boven de 1 miljoen euro bestaat een vrijstelling van 83%. Als een dochter een bedrijf erft van haar vader dat 2 miljoen euro waard is, zal ze dus enkel over 170.000 euro van die waarde erfbelasting moeten betalen; de resterende 1.830.000 euro is vrijgesteld van belastingen. Iemand die op een andere manier 2 miljoen euro erft (bijvoorbeeld in de vorm van een huis) betaalt echter over een bedrag van 1.979.791 (er geldt een vrijstelling van 20.209 voor kinderen). Een enorm verschil.

Deze blogpost is gebaseerd op een uitgebreidere analyse van de ethiek van overerving en erfbelasting die open access gepubliceerd is als onderdeel van de reeks ‘Ethische Annotaties’ van het Ethiek Instituut.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s