Boeksymposium

Waar was ik toen ik er niet was? Deel 5: persoon-zijn

Reactie op hoofdstuk 9 van Waar was ik toen ik er niet was? (‘Hier ben ik’)

Over autopoiesis en de beperkte autonomie van personen

Door: Sanneke de Haan (Tilburg University)

Wat maakt iemand tot een persoon?

In hoofdstuk 9 gaat Monica dieper in op de vraag wat iemand tot een persoon maakt. Mens-zijn alleen is daarvoor niet genoeg: niet alle menselijke organismen zijn ook personen. Monica noemt als voorbeeld baby’s, demente mensen, en mensen die ontoerekeningsvatbaar zijn: zij zijn menselijke organismen maar geen, of niet altijd, personen. Maar wat is er precies meer nodig om een persoon te zijn? Op grond waarvan maken we dat onderscheid tussen menselijk organisme en persoon?

Monica stelt dat er geen ‘matter of fact’ is; er zijn geen ‘metafysische gronden’ (p.243) voor dit onderscheid: ‘Persoon-zijn is een status, een soort ere-titel, die we aan elkaar en aan onszelf toekennen, zoals het koningschap een eretitel is die we aan een bepaald persoon of een bepaalde familie toekennen.’ (p.241). Monica wil vooral verre blijven van het idee dat personen ‘aparte entiteiten’ zijn; ze wil een soort dualisme tussen het levende organisme enerzijds en de persoon anderzijds voorkomen. Maar daarmee wordt persoon-zijn gereduceerd tot een afspraak, tot conventie.

Dit is in mijn ogen een onbevredigende oplossing. Want persoon-zijn is meer dan een status op basis van conventies: er zijn wel degelijk gronden waarop we iemand wel of niet verantwoordelijk houden voor zijn of haar gedrag. Monica beschrijft twee ‘wolvenkinderen’ en dit voorbeeld laat goed het probleem zien met haar stelling. Want het is geen kwestie van erkenning dat zij geen personen zijn; de eerste aanname van de hulpverleners is nu juist dat ze wel een persoon is – maar dan blijkt ze bepaalde vaardigheden te missen. Hetzelfde geldt voor Monica’s andere voorbeelden – baby’s, demente mensen, en mensen met een ernstige psychiatrische aandoening – ook zij missen bepaalde vaardigheden: ze kunnen niet anders dan doen wat ze doen: hun gedrag is geen ‘keuze’ (al is dat weer een te ‘bewust’ woord); ze vallen samen met wat ze doen. Personen niet; personen hebben manoeuvreerruimte. Personen houden we verantwoordelijk voor hun gedrag omdat ze zich tot hun eigen gedrag kunnen verhouden.

Monica noemt zelf een ‘cluster van voorwaarden die we stellen aan personen: ‘zelfbewustzijn, kunnen spreken en het woordje “ik” correct gebruiken, zowel het subject als het object van morele verplichtingen zijn en oproepen tot verantwoording kunnen beantwoorden.’ (p.242-3). Ze schrijft: ‘die condities komen tot uiting in de reactieve attitudes die we tegenover personen hebben’, maar: ‘die attitudes en verwachtingen vloeien niet voort uit de condities voor persoon-zijn; het is veeleer zo dat de condities volgen uit de attitudes tegenover en verwachtingen van anderen die we intuïtief en pre-theoretisch hebben’ (p.243).

Deze omkering is eigenaardig. Waarom zouden onze verwachtingen niet het gevolg zijn van de voorwaarden die we stellen aan persoon-zijn? De genoemde voorwaarden zijn bovendien niet van gelijk gewicht. Van deze voorwaarden, lijkt één mij vooral cruciaal: zelf-bewustzijn, dat wil zeggen, niet slechts dingen kunnen ervaren, maar ook een perspectief kunnen innemen op die ervaringen, je kunnen verhouden tot die ervaringen. Niet samenvallen met ervaringen, maar er een positie over kunnen innemen: een tweede orde, reflexieve relatie, die je ook zou kunnen samenvatten als ‘reflectievermogen’. Het is dit vermogen dat het vervolgens mogelijk maakt om het woord ‘ik’ correct te gebruiken, en dat ons tot morele subjecten maakt.

Mijn voorstel is dat de categorie ‘personen’ verwijst naar organismen met bepaalde vermogens of vaardigheden. We weten dat menselijke organismen die vaardigheden kunnen hebben, maar het valt niet op voorhand uit te sluiten dat andere organismen deze vaardigheden wellicht ook bezitten. Het belangrijkste vermogen is dat van perspectiefwisseling: niet samenvallen met je 1e persoonsperspectief, maar je tot je eigen perspectief kunnen verhouden; dat wil zeggen een zekere afstand of een 2e of 3e persoonsperspectief op jezelf en je ervaringen kunnen innemen. Personen zijn inderdaad geen aparte entiteiten in de zin dat ze los van levende organismen zouden kunnen bestaan: het zijn organismen met bepaalde vermogens.

Rol van anderen

Om persoon te kunnen zijn, heb je anderen nodig, zo stelt Monica. Volgens Monica hebben we anderen nodig omdat persoon-zijn geconstitueerd wordt door de reactieve attitudes van anderen naar ons toe. In lijn met de enactieve benadering die Monica aanhaalt (in haar karakterisering van leven in termen van autopoiesis of zelforganisatie), zou ik een stap verder willen gaan. Het is niet de erkenning van anderen die ons tot personen maakt, nee, we hebben anderen nodig om het vermogen te ontwikkelen om van perspectief te kunnen veranderen; het vermogen dat ons tot personen maakt.

De gedachte hierbij is als volgt: zoals waarnemen een vaardigheid is die je leert door te interacteren met je omgeving, is van perspectief wisselen een vaardigheid die je leert in interactie met je sociale omgeving. Het zijn dus geen aangeboren vaardigheden, en ook geen ‘module’ in de hersenen die op een bepaalde leeftijd ‘rijp’ is om in werking te treden. Er moet allicht aan bepaalde aangeboren voorwaarden voldaan zijn om überhaupt deze vaardigheden te kunnen ontwikkelen, maar die ontwikkeling zelf gebeurt in en door de interactie met anderen. Met andere woorden: het ‘mechanism of change’ waar binnen de ontwikkelingspsychologie naar gezocht wordt, is volgens een enactieve benadering de interactie zelf.

Binnen het enactivisme is vooral veel aandacht voor de ontwikkeling van sociale cognitie, maar één van de pijlers van sociale cognitie is juist het verschil kunnen maken tussen jouw perspectief en dat van de ander. En dit is precies wat baby’s en peuters oefenen als ze spelletjes spelen als kiekeboe en verstoppertje: wanneer ziet de ander mij? Door zulke spelletjes raken ze vertrouwd met het perspectief van de ander (als ik achter de bank zit als mama binnenkomt, ziet ze me niet), en dat zij de ander kunnen zien zonder zelf gezien te worden, en omgekeerd. Ook zogenaamde ‘triadische interacties’ – interacties van het jonge kind met twee anderen – helpen bij het ontwikkelen van een besef van het perspectief van de ander en dat dat verschilt van jouw perspectief, en dat er een buitenstaandersperspectief op jou mogelijk is. Als één van de ouders toekijkt terwijl het kind speelt met de andere ouder, leert het kind dat er een perspectief mogelijk is op de interactie die het heeft.

Dit zijn enkele stappen in een meer omvattend en langer proces van verfijning van perspectief-gevoeligheid en reflectievermogen, waar ook taalvaardigheden uiteraard sterk aan bijdragen. Voor nu is het slechts relevant om te laten zien dat er een andere visie op de criteria van persoon-zijn mogelijk is: een visie die (i) ook, en zelfs fundamenteler, relationeel is, en in lijn is met de enactivistische theorie van autopoiesis die Monica ook aanhangt; die (ii) de verschillen erkent tussen menselijke organismen en personen zonder in een dichotomie te vervallen; en die (iii) wel een inhoudelijke ‘matter of fact’ biedt op grond waarvan we dat verschil maken, op grond waarvan we anderen wel of niet als personen beschouwen.

Kortom: niet de erkenning van anderen maakt ons tot personen, maar onze sociale relaties zijn constitutief voor het ontwikkelen van het reflectieve vermogen dat (menselijke) organismen tot personen maakt.

Een gedachte over “Waar was ik toen ik er niet was? Deel 5: persoon-zijn

  1. Goed stuk, Sanneke.

    Een situatie die volgens mij relevant is in deze discussie: als een bepaalde groep mensen consequent gedehumaniseerd wordt. Denk bijvoorbeeld aan tot slaaf gemaakten. Wij kunnen ons voorstellen dat zij door hun eigenaars niet als personen worden gezien. We kunnen ons zelf voorstellen dat zij dit idee zelf overnemen, en zichzelf ook niet als persoon zien (de situatie is hypothetisch, ik doe hier geen uitspraken over feitelijke situaties).

    In deze situatie lijkt het mij dat we kunnen stellen dat deze tot slaaf gemaakten wel degelijk personen zijn, ondanks dat iedereen binnen die situatie een andere mening is toegedaan.

    De vraag nu is wat vanuit de positie van Monica Meijsing volgt in deze situatie?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s