Geschiedenis·Identiteit

Leven volgens een Nietzscheaans scheppingsideaal

Door Max van der Heijden (promovendus, Tilburg University)

Hoe moet een mens leven? Jaren werd deze vraag beantwoordt door de christelijke moraal. Nu we in een tijd leven waarin deze oude tradities zijn losgelaten, is er een hernieuwde interesse in deze van oorsprong filosofische vraag.

Nietzsche geeft hier in De vrolijke wetenschap (1882/1887) een antwoord op. Als reactie op de dood van God pleit hij voor de ‘vernatuurlijking’ van de mens (VW 109). Nu God ons niet langer vertelt hoe we moeten leven, kan de natuur deze leegte opvullen. Maar hoe ‘vernatuurlijk’ je als mens?

Vernatuurlijken is een proces dat verloopt via twee stappen. De eerste stap is een wetenschappelijke herwaardering van jezelf als natuurwezen. De tweede stap is een esthetische verhouding tot de natuur: de mens moet zijn eigen natuur met het oog van de kunstenaar benaderen.

In deze blogpost leg ik uit hoe deze twee stappen begrepen moeten worden door Nietzsches cultuurkritiek uit te lichten. Wel rest ons de vraag hoe wij, ruim 130 jaar na dato, Nietzsches pleidooi moeten opvatten.

Wij hebben hem gedood, – jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars!” (VW 125)

De dolle mens verkondigt in Nietzsches De vrolijke wetenschap de dood van God. Met aangestoken lamplicht zoekt de dolle mens op een vol marktplein naar God. De verlichte omstanders, zowel door het lampenlicht als de tijdsgeest, drijven de spot met hem. God, zo verkondigen zij, is niet langer nodig. Wat Nietzsche hiermee laat zien is dat er dankzij de verlichting een nieuw tijdperk aanbreekt, waarin het dan nog zeer Christelijke Europa een nieuwe, goddeloze toekomst tegemoet gaat.

Nu een goddelijke interpretatie van mens en natuur niet langer houdbaar zijn, bepleit Nietzsche een herwaardering van de mens als natuurwezen. Deze herwaardering onderneemt Nietzsche zelf ook, en het leidt hem tot de conclusie dat de mens een natuurwezen is dat gedreven wordt door een strijd aan driften. In Nietzsches omschrijving van de mens als driftwezen is een onderscheid aangebracht tussen bewustzijn en onderbewustzijn. Al onze bewuste handelingen en gedachten zijn het resultaat van deze onbewuste strijd aan driften. Daarmee betekent vernatuurlijken voor Nietzsche op de eerste plaats een erkenning van deze conflictueuze strijd.

Het leven als experiment

Naast deze herwaardering van onszelf als natuurwezen, impliceert de notie van vernatuurlijken ook dat de mens is gedistantieerd van zijn eigen natuur. Nietzsche acht de christelijke moraal hiervoor verantwoordelijk. Deze is volgens hem “tegennatuurlijk” (VW 1).

Nietzsche haalt hiervoor verschillende argumenten aan. Belangrijk in deze context, is het feit dat Nietzsche de christelijke moraal bekritiseert omdat zij de mens bang heeft gemaakt voor “het boosaardige wezen van de natuur” (VW 294). Wat Nietzsche hiermee bedoelt te zeggen is dat de christelijke moraal een leer verkondigd, waarin het toegeven aan driften gezien wordt als iets slechts. Het gevolg is een schaamtecultuur: we schamen ons voor onze eigen natuur.

“Schaamteloosheid is het zegel van verworven vrijheid”

Als we willen vernatuurlijken zullen we dus deze vijandige houding moeten overwinnen (VW 109). De eerste stap hierin is ons niet langer schamen: “schaamteloosheid is het zegel van verworven vrijheid” (VW 275). Deze zegel wordt verworven door ons morele geweten te ondervragen met ons intellectuele geweten.

Anders gezegd, we moeten wetenschappelijk onderzoek doen naar de morele oordelen die we hebben over onze driften. Hierin schuilt voor Nietzsche de kracht van de wetenschap: zij maakt van vastgeroeste morele overtuiging een hypothese die kan worden getoetst (VW 344). Dit onderzoek naar de morele oordelen die we hebben over onze driften, zal ons doen inzien dat ze niet een eigen oordeel zijn, maar het resultaat van culturele vorming. De wetenschap is voor Nietzsche dan ook “de grote bevrijder” (VW 324): ze weet morele oordelen te relativeren.

Stileren van een “tweede natuur”

Wat blijft er over van je christelijke identiteit nadat je ieder waardeoordeel aan een kritische zelfreflectie onderwerpen hebt? Niet veel. Juist hier ontstaat voor Nietzsche de ruimte om te leven naar een zelfgekozen ideaal (VW 335). Het is voor Nietzsche de bedoeling dat de mens, nadat hij ontdekt heeft dat hij bestaat uit een veelheid aan driften, zichzelf leert stileren.

Met behulp van een esthetisch perspectief moeten we van ons eigen karakter een kunstwerk maken. Nietzsche gebruikt hiervoor de termen “eerste natuur”, “kunstzinnig plan” en “tweede natuur” (VW 290). Onder een eerste natuur verstaat Nietzsche je identiteit zoals die gevormd is door cultuur, natuur en persoonlijke biografie. Na het kritische zelfonderzoek is het makkelijker om deze identiteit naar je eigen hand te zetten. Hiervoor heeft de mens een kunstzinnig plan nodig. Het gaat Nietzsche erom dat je met het oog van de kunstenaar naar je driften kijkt, en deze vervolgens bindt aan een eigen, zelfgekozen, esthetische smaak. Dit proces van scheppen en stileren is een proces van langdurige oefening en dagelijks werk; tot de mens uiteindelijk een tweede natuur weet te realiseren.

Het doel is het bereiken van een fraai uitzicht dat de tuinman bekoort: “uitsluitend dan levert de mens een draaglijke aanblik op!”

Een concrete handleiding hiervoor heeft Nietzsche niet. Een behulpzame metafoor biedt hij ons wel: die van de tuinman. In Morgenrood (1881) beschrijft Nietzsche hoe de tuinman datgene wat de natuur aandraagt als uitgangspunt neemt, om vervolgens op kunstzinnige wijze vorm te geven aan de tuin (M 560). Op eenzelfde wijze moet de mens proberen zijn driften te stileren. Het doel is het bereiken van een fraai uitzicht dat de tuinman bekoort: “uitsluitend dan levert de mens een draaglijke aanblik op!” (VW 290).

Daarmee staat Nietzsches pleidooi haaks op de normatieve natuurbeleving van de christelijke moraal. Waar de christelijke moraal de eigen natuur beoordeelt in morele termen, als wenselijk of goed, bepleit Nietzsche een esthetische natuurbeleving: een beoordeling in termen van schoonheid.

Hoe moet een mens leven?

Dus hoe moet een mens leven volgens Nietzsche? Zijn antwoord is: volgens de natuur. En dat doe je in twee stappen.

De eerste stap is het los maken van de heersende norm. “Ga ten gronde” (VW 1), zou hij roepen: ondervraag jezelf tot het punt van wanhoop! Wees kritisch op je morele oordelen, en op dat wat je denkt te zijn. Het resultaat van dit rigoureuze zelfonderzoek is eenzaamheid en twijfel. Eenzaamheid omdat je jezelf los maakt van de heersende norm, en twijfel omdat je het vertrouwen in je eigen identiteit kwijt lijkt te raken.

De tweede stap is de esthetische natuurbeleving. Ga aan de slag in de tuin, of huur een volkstuintje, en begrijp het tuinieren als een proces van esthetische lering. Lees hierbij flink wat boeken over biologie en esthetiek. De biologische werken helpen je om processen in de natuur beter te begrijpen. De esthetische werken helpen je om je eigen esthetische oordelen beter te begrijpen én dragen bij aan de ontwikkeling van een eigen smaak. Erken de strijd om het bestaan inherent aan de natuur, of in dit geval je tuintje, bestudeer hoe je eigen hand schoonheid voortbrengt, en pas eenzelfde methodiek toe op jezelf.


Verder lezen

Vindplaatsen in De vrolijke wetenschap en Morgenrood zijn aangewezen aan de hand van de afkorting en het aforismenummer. Verder lezen kan met behulp van de onderstaande werken.

Nietzsche, F. (2009). Morgenrood (M. van Nieuwstadt, Vert.). Amsterdam: De Arbeidspers.

Nietzsche, F. (2015). De vrolijke wetenschap (P. Hawinkels & H. Driessen, Vert.). Amsterdam: De Arbeidspers.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s