Kennis & Cognitie·Prijsvraag·Wetenschap

Over poetslipvissen die niet kunnen blozen en filosofen die spektakels bederven  

— ŸWinnaar van de tweede prijs van de OZSW/BNI Essaywedstrijd —

Door Benjamin de Mesel (postdoc, KU Leuven)

De poetslipvis woont samen met andere poetsvissen in poetsstations op koraalriffen. Wanneer hij wil poetsen, beweegt hij op en neer. Grotere vissen die gepoetst willen worden, geven dat aan door hun zwembeweging. Is er een match, dan begint de poetsvis de parasieten van de grotere vis te verwijderen. Daar leeft hij van.

U kent hem misschien uit natuurdocumentaires, ik leerde hem onlangs kennen in de krant. ‘We hebben al moeten opgeven dat we het centrum van het heelal zijn, dat de zon om ons heen draait, dat wij als enigen werktuigen gebruiken en dat computers nooit in staat zullen zijn om zoiets typisch menselijks te doen als schaken. Zal de gewone poetslipvis (Labroides dimidiatus) nu ook ons zelfbewustzijn devalueren?’ Volgens Japanse biologen kan de poetslipvis zichzelf herkennen in de spiegel, wat opzienbarend is voor een wezentje met zulke kleine hersenen. Zo opzienbarend dat de uitvinder van de spiegeltest, een psycholoog, zich afvraagt of de test correct is uitgevoerd. Poetslipvisspecialisten reageren minder verbaasd, zij zien bevestigd wat ze al wisten: hun visje is tot grootse dingen in staat, geen wonder dat het zelfbewustzijn heeft.

Het artikel over de poetslipvis deed me denken aan een radio-uitzending van een paar dagen eerder. Daarin werd een bioloog geïnterviewd over inktvissen. Veel intelligenter dan we denken. Sluit ze op in een pot en ze draaien van binnenuit het schroefdeksel open. Zet ze in een aquarium en ze blokkeren de filters zodat het overstroomt. Ze gebruiken gereedschap en communiceren door de kleur van hun huid te veranderen. ‘En waarschijnlijk hebben ze zelfbewustzijn,’ opperde de bioloog, ‘want ze herkennen zichzelf in de spiegel.’ Omdat hij voelde dat hij op gevaarlijk terrein kwam, begon hij te citeren. De Britse neuroloog Oliver Sacks, zei hij, antwoordde op de vraag of alleen mensen zelfbewustzijn hebben: ‘Ja, behalve misschien de octopus.’

Vanwaar die aandacht voor zelfbewuste vissen? Ze dreigen ons te devalueren, onze menselijke eigenheid te krenken, en van gekrenkte mensen smult de pers. Ze zijn geslaagd voor de spiegeltest, en daaruit volgt iets heel belangrijks. Maar wat precies? En wat heeft het met zelfbewustzijn te maken? Die vraag is filosofisch. Ietwat karikaturaal: de wetenschapper vraagt zich af wat het geval is, de filosoof wat dat betekent. Die vragen lopen in elkaar over, maar kunnen onderscheiden worden. Een roekeloze filosoof zegt: intelligent zijn betekent dat je schroefdeksels van binnenuit kan opendraaien. Een wetenschapper stelt vast: de inktvis draait vlotter schroefdeksels open dan de mens. Samen schrijven filosoof en wetenschapper een paper die gretig wordt opgepikt: ‘De gewone octopus (Octopus vulgaris) devalueert nu ook onze intelligentie.’ U ziet waar het probleem zit. Niet bij de wetenschapper. De ellende is, zoals zo vaak, aan de filosoof te wijten. Hij (ik ga ervan uit dat mannelijke filosofen meer ellende hebben veroorzaakt dan vrouwelijke, al was het maar omdat ze altijd met veel meer waren) heeft een stompzinnige omschrijving van intelligentie gegeven. 

“Stel dat een filosoof wil weten wat intelligentie is. Dan kan ze niet gewoon observeren wat intelligente wezens doen of hoe ze in elkaar zitten”

Een eenvoudig punt is hier over het hoofd gezien. Om David Foster Wallace te parafraseren: een vis vergeet dat hij in water zwemt. Voordat de psycholoog, de neuroloog en de bioloog kunnen nagaan of de poetslipvis zelfbewustzijn heeft, moeten ze weten wat het betekent om zelfbewustzijn te hebben. Die filosofische vraag is niet wezenlijk verschillend van de vraag wat zelfbewustzijn is, en dergelijke ‘Wat is…?’-vragen zitten in het hart van de academische filosofie. Wat is kennis? Wat is vrije wil? Wat is een persoon? Wat is verbeelding? Wat is emotie? Wat is wetenschap? Dat dit filosofische vragen zijn, is misschien het enige waar filosofen het soms over eens zijn. Over hoe ze die vragen moeten beantwoorden, bestaat grote onduidelijkheid. Ondanks hun verschillen delen experimentele wetenschappers de rudimenten van een methode: je formuleert een hypothese die getest kan worden door naar de werkelijkheid te kijken, denkt een experiment uit om dat op een systematische en gecontroleerde manier te doen, en leidt uit het resultaat af of de hypothese bevestigd kan worden. Maar stel dat een filosoof wil weten wat intelligentie is. Dan kan ze niet gewoon observeren wat intelligente wezens doen of hoe ze in elkaar zitten, want om dat te kunnen doen moet je weten welke wezens intelligent zijn, dus een idee hebben van wat intelligentie is. De filosoof lijkt zich te hebben opgesloten in een zelfgemaakte paradox of vicieuze cirkel.

Voor sommige filosofen is dat een comfortabele positie. Zij gaan uitleggen wat het verschil is tussen een paradox en een vicieuze cirkel of stellen zich tevreden met de idee dat filosofen vragen stellen maar geen antwoorden bieden. Anderen bieden antwoorden maar stellen zich te weinig vragen: ze bouwen metafysische systemen op een fundament van intuïties die uit de lucht geplukt lijken. ‘Weet u waarom filosofen zo goedkoop zijn?’ vroeg iemand me ooit. ‘Een wetenschapper heeft een lab nodig om de werkelijkheid te onderzoeken, een potlood om de resultaten te noteren en een gom om te wissen wat door verdere observatie tegengesproken wordt. Een wiskundige heeft een potlood nodig om dingen uit te werken en een gom om te wissen wat bij nader inzien niet klopt. Voor een filosoof volstaat een potlood.’ 

 “Het probleem met filosofische stellingen is dat de werkelijkheid ze niet lijkt te kunnen tegenspreken”

Het voordeel van wetenschappelijke stellingen is dat de werkelijkheid die stellingen soms bevestigt en soms tegenspreekt. Het probleem met filosofische stellingen is dat de werkelijkheid ze niet lijkt te kunnen tegenspreken: als ik meen dat intelligentie gelijkstaat aan schroefdeksels opendraaien, hoe kunnen observaties die stelling dan weerleggen? Je kan wel vaststellen dat Nobelprijswinnaars daar niet zo goed in zijn, maar dat is dan jammer voor hen: in tegenstelling tot wat we altijd dachten, zijn inktvissen intelligenter dan Nobelprijswinnaars. Van ‘in tegenstelling tot wat we altijd dachten’-filosofie worden journalisten blij, want het levert leuke titels op. De wereld bestaat niet, we weten niets en we zijn personages in een videogame. Heeft iemand een gom? 

Naast filosofen zonder gom en filosofen zonder antwoorden, zijn er ook filosofen zonder filosofische vragen. Sommige ‘experimentele filosofen’ nemen de wetenschappelijke methode zo ernstig dat ze riskeren blind te worden voor het verschil tussen filosofische en wetenschappelijke vragen. De vraag ‘Wat is kennis?’ lossen ze op door de antwoorden van duizend respondenten te mixen. Of respondenten krijgen een casus voorgeschoteld, liefst met zombies of beschilderde ezels, en moeten daarover vragen beantwoorden. Neem de casus KEVIN:

[KEVIN] Kevin staat voor een aquarium met tien poetsvissen. Negen ‘poetsvissen’ zijn beschilderd karton, eentje is echt. Kevin denkt dat het allemaal echte poetsvissen zijn. Hij wijst willekeurig een vis aan, toevallig de echte, en zegt: ‘Ik weet dat dat een poetsvis is.’ Heeft Kevin kennis?

In antwoord op de vraag of Kevin kennis heeft, zullen veel respondenten doen wat sommige filosofen ook doen: intuïtief reageren. Daarom is de experimentele filosoof die de antwoorden op dergelijke casussen systematiseert, hoe wetenschappelijk verantwoord ook, niet veel beter af dan de filosoof zonder gom waartegen ze zich verzet. Ze vertrouwt haar eigen intuïties niet en verzamelt daarom die van anderen. Bovendien geeft ze niet langer een antwoord op ‘Wat is kennis?’, maar veeleer op ‘Wat beschouwen mensen als kennis?’ Er is een antwoord en een methode, maar de filosofische vraag is ontsnapt.

Als je wil weten wat kennis is, ga dan niet in jezelf naar intuïties graven, maar kijk naar buiten!

De hamvraag is: hoe ga je om met ‘Wat is …?’-vragen zonder de vraag te verliezen en zonder te verglijden in luchtfietserij? Welke methode behoudt vraag en gom? Dat weinig filosofen daar een overtuigend antwoord op kunnen geven, wijst op een gebrek aan methodologisch zelfbewustzijn dat merkwaardig is voor een discipline die graag zichzelf bespreekt. Ik schreef eerder dat filosofische ‘Wat is …?’-vragen begrepen kunnen worden als vragen naar betekenis. Dat is een eerste stap in de goede richting. In een tweede stap moet verhelderd worden hoe je bepaalt wat iets betekent. Wittgenstein had een antwoord op die vraag dat in de hedendaagse filosofie wat in de verdrukking is geraakt: als je wil weten wat iets betekent, kijk dan naar hoe het gebruikt wordt. Taal is een instrument, we doen er dingen mee. Als je wil weten wat kennis is, ga dan niet in jezelf naar intuïties graven, maar kijk naar buiten! Wat doen we met woorden als ‘kennis’ en ‘weten’? Die vraag is niet dezelfde als de ‘Wat beschouwen mensen als …?’-vraag. Ter vergelijking: als je wil weten hoe het woord ‘er’ functioneert, kan je kijken naar hoe mensen het gebruiken. Dat doen ze alle dagen, zonder nadenken en veelal correct. Je kan ook vragen om de regels voor het gebruik van ‘er’ te formuleren. Dat kunnen ze meestal niet, en als ze tot een intuïtief antwoord gedwongen worden, of tot een respons op een bij de haren getrokken casus, gaan ze onzin spuien.

De experimentele filosoof kan dit allemaal prima vinden (tenzij de liefde voor casussen als KEVIN te groot is). Hoe mensen een term spontaan gebruiken kunnen we toch óók experimenteel vaststellen? Uiteraard, en die gegevens kunnen de filosoof helpen. Maar ze zijn niet voldoende: wat iets betekent valt niet samen met hoe het feitelijk gebruikt wordt, maar eerder met hoe het gebruikt moet worden. Als Kevin zegt ‘Ik weet dat de poetslipvis acht armen heeft’, dan gebruikt hij ‘weten’ verkeerd, want je kan alleen weten wat het geval is. Voor de experimentenfilosoof is Kevins uitspraak een gegeven tussen andere gegevens, maar omdat Kevin een regel voor het gebruik van ‘weten’ overtreedt, is zijn uitspraak onbruikbaar voor wie wil weten wat kennis is. ‘Je kan alleen weten wat het geval is’ is een regel die iets zegt over de betekenis van kennis, iets dat je niet terugvindt in een woordenboek. Die regel wordt niet opgegraven uit de innerlijke dieptes waar onze intuïties wonen en niet uit de lucht geplukt, maar uit de voor iedereen zichtbare gebruikspraktijk die de bodem is waarin normen groeien. 

De filosoof moet dus niet alleen aandacht hebben voor hoe ‘weten’ feitelijk functioneert, maar ook en vooral voor de normen die dat feitelijke gebruik reguleren. De gebruikspraktijk is normatief. Als een filosoof zonder gom beweert dat we niets kunnen weten, miskent hij die gebruikspraktijk en legt hij de drempel voor kennis veel hoger dan ons concept van kennis toelaat. Dat mag hij doen (het staat vrij om drempels te leggen), maar niet als antwoord op ‘Wat is kennis?’ Die vraag draagt de hoop in zich dat we ons concept van kennis, dat we gewoonlijk correct gebruiken maar waarvan we het gebruik niet meteen overzichtelijk kunnen uitleggen, in het werk van de filosoof zullen herkennen. Dat we zullen zeggen: ‘Ja, dat is wat kennis is.’

“we ontdekken niets nieuws, maar realiseren ons wat we impliciet al wisten”

De hoop op herkenning geeft iets prijs over de oogst die goede filosofie oplevert. Het is misleidend om van nieuwe kennis te spreken, want ook de niet-filosoof weet dat je alleen kan weten wat het geval is, zoals haar doorgaans competente gebruik van termen als ‘weten’ en ‘kennis’ aantoont. Niet kennis, maar begrip en inzicht zijn sleutelwoorden; we ontdekken niets nieuws, maar realiseren ons wat we impliciet al wisten. Herkennis is misschien een geschikt neologisme om de vruchten van goede filosofie te beschrijven. De door Wittgenstein geïnspireerde Britse filosoof Peter Hacker verwoordt het zo: de karakteristieke reactie op een baanbrekende wetenschappelijke ontdekking is ‘Ongelooflijk, wie zou dat ooit gedacht hebben!’, terwijl een filosofisch inzicht een reactie uitlokt als ‘Natuurlijk, daar had ik aan moeten denken!’ In het licht van dat onderscheid kunnen we de ‘in tegenstelling tot wat we altijd dachten’-filosoof karakteriseren als iemand die een filosofische vraag stelt maar een antwoord zoekt dat als een wetenschappelijke ontdekking klinkt. Niet toevallig verwarren sommige wetenschappers (denk aan Stephen Hawking), wanneer ze zich een filosofische vraag veroorloven en hun gom weggooien, dit wilde denken met academische filosofie, daarin welwillend bijgestaan door krantenkopmakers.

Herkennis dus, maar welke herkennis helpt ons met het zelfbewustzijn van de poetslipvis waarmee alles begon? Wat is zelfbewustzijn? Ik onderscheid vijf betekenissen. Een zelfbewust persoon, in de eerste betekenis, is iemand die een hoge dunk van zichzelf heeft, of toch minstens iemand die de eigen verdiensten en capaciteiten niet onder stoelen of banken steekt. Dat is niet wat Japanse biologen bij de poetslipvis hebben vastgesteld. Tweede betekenis: een zelfbewust persoon is iemand die de blik van anderen op zich voelt wegen, wat schaamte veroorzaakt en gedrag beïnvloedt, van verlegen blozen tot overdreven luid lachen. Ten derde zeggen we dat iemand zelfbewust is als wat ze doet zorgvuldig doordacht is. Flaubert was een zelfbewuste schrijver. Ten vierde is zelfbewustzijn verbonden met zelfreflectie. Wie zelfbewust is, heeft de neiging om na te denken over de eigen motieven, houdingen, emoties en karaktertrekken. Dat kan je van vissen niet zeggen.

Er blijft nog een vijfde betekenis over, die de bioloog vaag voor ogen kan hebben als hij over zelfbewuste vissen spreekt. Het is een schimmige betekenis die ook verdwaalde filosofen,  psychologen en cognitiewetenschappers aantrekt: zelfbewustzijn als een licht dat aangaat wanneer het brein krachtig genoeg is om de schakelaar in te drukken, generator van de gedachte ‘Dat ben ik’, bewustzijn van een zelf (wat dat ook moge zijn, want ‘een zelf’ wordt door weinig niet-filosofen gebruikt, tenzij ze filosofische ambities hebben). Ik vermoed dat je, om ‘Dat ben ik’ te denken, het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden moet beheersen. Het alternatief is dat je het ‘besef een ik te zijn’ heel mager invult: als we aan een dier dat zich niet vergist tussen de eigen reflectie in de spiegel en die van een ander dier de gedachte ‘Dat ben ik’ mogen toeschrijven, waarom mogen we aan een dier dat zijn voedsel in de eigen bek stopt en niet in die van een ander dan niet de gedachte ‘Dat is mijn bek’ toeschrijven? Zo wordt zelfbewustzijn wel heel goedkoop.

“De poetslipvis devalueert ons niet, de inktvis ontsteekt geen revolutie in ons denken over zelfbewustzijn”

Nu heb ik over die laatste betekenis van zelfbewustzijn maar wat gespeculeerd, voor een grondige analyse moet u elders zijn. Omdat ik het tegendeel hier niet kan aantonen, laat ik de mogelijkheid open dat er binnen de vijfde betekenis van zelfbewustzijn ruimte is voor een vorm van zelfbewustzijn die aan de poetslipvis en de inktvis kan worden toegeschreven. Maar daaruit volgt geen devaluatie van het menselijk zelfbewustzijn. Een wezen dat geen hoge dunk van zichzelf kan hebben, niet verlegen kan blozen of overdreven luid kan lachen en geen persoonlijke voornaamwoorden beheerst, raakt het soort zelfbewustzijn dat mee onze eigenheid uitmaakt niet aan.

Wat ik over zelfbewustzijn verteld heb, is niet nieuw of ongelooflijk. Als alles goed is gegaan, realiseert u zich wat u eigenlijk al wist. Misschien bent u ontgoocheld, want ik heb spektakelbedervend gewerkt: de poetslipvis devalueert ons niet, de inktvis ontsteekt geen revolutie in ons denken over zelfbewustzijn. De aarde is niet uit haar baan gedreven, ons wereldbeeld niet door elkaar geschud. Ergens is dat jammer, want we houden van de gedachte dat mensen duizenden jaren lang in een illusie hebben geleefd die wij eindelijk, dankzij de vooruitgang, op een wetenschappelijk verantwoorde manier hebben doorprikt. De filosoof die ik heb voorgesteld, zet als professionele spektakelbederfster luid toeterende illusiedoorprikkers op hun plaats. Dat is van levensbelang voor de academische filosofie, die zelfbewuste octopus waarvan ik slechts één arm beschreven heb. Maar wel één die noodzakelijk is om het deksel op lastige vragen los te wrikken. 

Afbeelding hoofdpagina: ‘Cleaning’ © Klaus Stiefel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s